1968 - 1989

Er waren drie gebieden waarop de hervormers onder leiding van Alexander Dubček aan de slag gingen: de economie, decentralisatie van het bestuur, met name meer autonomie voor Slowakije, en een meer ontspannen maatschappelijk klimaat.

Alexander Dubček
Alexander Dubček.

Tot dit laatste behoorde eerherstel voor de ten onrechte veroordeelden in de jaren vijftig, maar ook de vrijheid van meningsuiting, afschaffing van de censuur en de vrijheid om naar het buitenland te reizen. De gelijkwaardigheid van Tsjechen en Slowaken in een federatie van twee republieken was vooral een Slowaakse wens.

De eerste acht maanden van 1968 staan algemeen bekend onder de naam 'Praagse Lente'. De bevolking verwelkomde massaal en enthousiast de nieuwe ontwikkelingen; de leiders van de communistische buurlanden stonden er afwijzend tegenover. Zij zagen er een bedreiging in voor hun positie in eigen land.

Iconische foto: man met ontbloot bovenlijf voor tank
Beroemde foto van Ladislav Bielik: De man met ontbloot bovenlijf voor een bezettende tank (Bratislava, 21 augustus 1968).

Op 21 augustus 1968 werd Tsjechoslowakije bezet door de troepen van de Sovjet-Unie, Polen, Oost-Duitsland, Hongarije en Bulgarije. Onder druk van de bezetters moest de Tsjechoslwaakse leiding steeds meer de verworvenheden van de 'Praagse Lente' terugdraaien. In april 1969 moest ook Dubček aftreden als partijleider. Nog steeds is niet duidelijk waarom hij zo lang is blijven zitten. Zelfs liet hij zich degraderen tot ambassadeur in Turkije. Dubček werd als partijleider opgevolgd door Gustav Husák. In de jaren die volgden werden overal in het land zuiveringen doorgevoerd, zowel binnen de CP als daarbuiten, met name in de kunstensector, journalistiek, literatuur, onderwijs en wetenschap. Velen kwamen voor de moeilijke keuze te staan: afstand nemen van politieke activiteiten en opvattingen tijdens de Praagse lente of je baan verliezen. De zuiveringen waren omvangrijk, maar hadden niet zo'n wreed karakter als tijdens de vijftiger jaren. Het ergst waren de zuiveringen in het Tsjechische deel van de republiek. Onder het motto 'normalisatie' werd de toestand van voor 1968 min of meer hersteld. Het enige blijvende resultaat van de hervormingsbeweging was formeel de federalisatie van Tsjechoslowakije. In de praktijk betekende deze echter niet veel. Het centrum van de macht was en bleef Praag.

Gustav Husák
Gustav Husák.

De bevolking verwerkte de kater door zich niet meer op de maatschappij, maar op het gezin en het vrije weekend te richten; velen hadden een weekendhuisje en steeds meer mensen konden zich een auto permitteren. Tegenover de CP moest men een dubbele moraal aanhouden: naar buiten toe moest men zo nu en dan 'meedoen', maar binnen de vertrouwde eigen kring uitte men zich cynisch over het regime. Eind jaren 70 werd door critici van het bewind Charta 77 opgesteld. Ongeveer 1300, voornamelijk Tsjechische, dissidenten ondertekenden de verklaring; in Slowakije tekenden onder andere de schrijver Milan Šimečka en de socioloog Miroslav Kusý. In Slowakijie concentreerde de oppositie zich rond de rooms-katholieke kerk en de milieubeweging. Geregeld werden er pelgrimstochten georganiseerd die een oppositioneel karakter hadden; in 1986 deden hier in totaal zo'n 600 000 mensen aan mee. Begin 1988 werd een petitie gehouden voor meer godsdienstvrijheid die door meer dan een half miljoen mensen werd ondertekend, waarvan twee derde uit Slowakije. Door de katholieken Ján Čarnogurský en František Mikloško werd op 25 maart 1988 in Bratislava de zogenaamde kaarsjesmanifestatie georganiseerd voor meer godsdienstvrijheid en voor meer burgerlijke vrijheden in het algemeen. Deze demonstratie werd met geweld uit elkaar gejaagd, maar via buitenlandse radio- en tv-zenders kreeg men veel publiciteit.

Omdat alle belangrijke jaartallen voor Tsjechoslowakije tot dan toe op een acht waren geëindigd (1918, 1938, 1948, 1968), hoopten velen dat in 1988 het communistische regime ten val zou komen. Maar dit gebeurde pas in november 1989.

Bronnen

Boeken
Filmpjes