1948 - 1968

Ook kleinere bedrijven werden nu genationaliseerd, evenals kleine zelfstandigen en vrije beroepen (advokaten, artsen). Aan het hoofd van de bedrijven kwamen 'arbeidersdirecteuren' te staan, arbeiders werden na een cursus van enkele maanden bijvoorbeeld rechter of leraar. Arbeiderskinderen kregen voorrang bij de toelating tot het hoger onderwijs. Boeren werden gedwongen op te gaan in coöperaties. Priesters en kloosterlingen werden vervolgd en te werk gesteld. Kortom, de traditionele maatschappelijke structuren werden grondig en met geweld doorbroken en vervangen door een structuur waarin de communistische partij (CP) en de daarmee verbonden organisaties het voor het zeggen hadden. Slowakije werd in sneltreinvaart geïndustrialiseerd. Omdat Slowakije wat verder weg lag van de grens met de NAVO-landen, werd hier de wapenindustrie gevestigd. Verder kwamen er staalfabrieken, chemische industrie, maar ook de productie van consumptiegoederen zoals schoenen, textiel en meubels, kwam op gang. Tegelijk met de industrialisatie ontwikkelden zich de gezondheidszorg, het onderwijs en de cultuur. De verschillen met het Tsjechische deel van het land werden snel kleiner. Terwijl vlak na de oorlog de achtergebleven positie van Slowakije een argument was voor een centralistische staatsinrichting, werd nu het tegengestelde argument aangevoerd: omdat er geen grote verschillen meer bestonden, was er ook geen reden voor een aparte positie van Slowakije. Uit de Tsjechoslowaakse grondwet van 1960 waren alle speciale organen voor Slowakije verdwenen, de leidende rol van de communistische partij werd erin vastgelegd en het woord 'socialistische' verscheen in de naam van het land. De Slowaakse CP was in feite een filiaal van de Tsjechoslowaakse.

De terreur van het communistische bewind richtte zich in het begin tegen externe (klasse)vijanden, maar al gauw waren ook personen binnen de CP het doelwit. Leiders van de Slowaakse nationale opstand, waaronder Gustav Husák, werden beschuldigd van 'burgerlijk nationalisme' en veroordeeld; in het geval van Husák tot levenslang. Ook andere vooraanstaande figuren binnen de CP waren het slachtoffer. De aanklacht was vaak absurd, het proces een farce, maar toch bekenden de meesten (na marteling). Enkele honderden werden na een doodvonnis terechtgesteld. In totaal vonden duizenden Tsjechen en Slowaken de dood in gevangenissen en kampen. In 1953 overleed Stalin en enkele weken later ook Gottwald, die op Stalin's begrafenis een longontsteking had opgelopen. Toch bleef het regime in Tsjechoslowakije zijn stalinistische karakter houden, ook na de onthullingen van de nieuwe sovjet-leider Chroesjtsjov op het twintigste partijcongres in 1956.

In de jaren zestig stagneerde de economische groei. Binnen de Slowaakse CP maakte een jongere generatie carriere die niet belast was met het stalinistische verleden. Alexander Dubček was een van hen.

Alexander Dubček
Alexander Dubček.

Zij wilden een hervorming van de economie aan de orde stellen, discussiëren over de plaats van de Slowaakse Nationale Opstand (SNP) in de geschiedenis en over de verhouding tussen Slowakije en Tsjechië. Het Slowaakse blad 'Kultúrny život' (Cultureel leven) was hun podium. Begin 1963 werd Dubček eerste secretaris van de Slowaakse CP; dit was de belangrijkste functie in een communistische partij. Hij maakte onder andere deel uit van een commissie die de vervolgingen van het stalinistische regime in de jaren vijftig onderzocht, en maakte zich sterk voor de rehabilitatie van de slachtoffers. Daarbij stootte hij op onwil van de eerste secretaris van de Tsjechoslowaakse CP, Novotný. Er zouden meerdere aanvaringen met Novotný volgen, onder andere over het vrijere maatschappelijke klimaat in Slowakije. De Slowaakse schrijversbond, de journalistenbond en de Slowaakse pers begonnen zich kritisch op te stellen over de uitblijvende rehabilitaties van de slachtoffers van de vervolging in de jaren vijftig en over allerlei andere zaken waar in Tsjechië niet over geschreven mocht worden. Men kan dit de 'Slowaakse lente' noemen, die dus reeds begon in 1963. De positie van Novotný verzwakte, mede door zijn botte en beledigende gedrag tegenover Slowaken. Na voorzichtig manoeuvreren en netwerken binnen de partij door Dubček kwam rond de jaarwisseling van 1967 naar 1968 de beslissende confrontatie: Novotný moest aftreden en Dubček volgde hem op als eerste secretaris van de Tsjechoslowaakse CP.

Bronnen

Boeken
  • Alexander Dubček (1993) De autobiografie van een idealist, Amsterdam: Meulenhoff.
  • Alexander Dubček (1993) Z pamätí. Nádej zomiera posledná, Bratislava: Vydavateľstvo Národná Obroda, vydavateľstvo Práca.
  • Ľubomír Lipták (2011) Slovensko v dvadsiatom storočí, Bratislava: Kalligram.
  • Miroslav Londák, Stanislav Sikora, Elena Londáková (2016) Od predjaria k normalizácii, Bratislava: VEDA vydavateľstvo Slovenskej Akadémie Vied.
  • Elena Mannová (ed.) (2003) Krátke Dejiny Slovenska, Bratislava: Academic Electronic Press.
  • Ladislav Mňačko (1967) De smaak van de macht, Utrecht/Antwerpen: Q.W.Bruna & zoon.
  • Ladislav Mňačko (1969) De zevende nacht. De ervaringen van een Tsjechoslowaakse communist, Utrecht/Antwerpen: Q.W.Bruna & zoon.
  • Hans Renner (1988) Tsjechoslowakije na 1945. Van Beneš tot Jakeš, Amsterdam: Uitgeverij Jan Mets.
  • Hans Renner, Ivo Samson (1993) Dejiny Česko-Slovenska po roku 1945, Bratislava: Slovak Academic Press.
Filmpjes