Tweede Boek

Eerste hoofdstuk

Hoe Johan gedurende twee jaren in dienst was van verschillende heren

Nadat ik je, beste Philip, van mijn schooltijd heb verteld, die ik voortijdig moest afbreken vanwege die ruwe begeleider aan deze kant van de Boheemse bergen, heb ik je de belangrijkste dingen verteld en veel ervan moest ik, om het niet te lang te maken, overslaan. Nu zal ik je in het tweede deel van dit reisboekje kort moeten melden wat er aan de andere kant van de bergen, als het ware temidden van de ketters van mij geworden is.

Zoals reeds vermeld, werd ik in Karelsbad stiekem door een voorname Bohemer ontvoerd en meegenomen naar de binnenlanden van het koninkrijk, maar nog niet voorbij de bergen. Op een klein eigendom van hem in Sichlau had ik het heel goed en leerde ik in korte tijd de nationale taal en het paardrijden.

Toen ik dit voldoende beheerste, gaf een van zijn vrienden uit Luditz, die een adellijke, maar een vreselijke ketter was, de wens te kennen om mij in dienst te nemen. Mijn meester ging akkoord en ik werd naar Luditz gebracht.

Mijn nieuwe meester was getrouwd met een zeer rijke vrouw, aan wie hij een hekel had vanwege haar leeftijd. Hij probeerde me eerst met vleiende woorden, en toen ik niet wilde, met dreigementen en klappen, me ertoe over te halen om jonge meisjes van mijn voormalige boerderij en landgoed voor hem te rekruteren en hem ter beschikking te stellen voor zijn ongeoorloofde liefde. Maar toen hij al een tijdlang tevergeefs geprobeerd had me tot koppelaar te maken, nam hij mij mijn nette pak af, dat ik had meegenomen, en sloot het op. Ik zou het niet terugkrijgen als ik de dienstmeisjes die hij verlangde, en die elke week van het landgoed naar de markt kwamen, niet probeerde voor hem te winnen.

Mij bewust van de vaderlijke aansporing om op te passen voor zulke slechtheid, liet ik de wrede man en mijn kleren achter en vluchtte weg van de verknipte ketter naar mijn vorige meester. Die ontving me vriendelijk en hield me bij hem toen ik de reden van mijn ontsnapping vertelde. Kort daarna werd ik opnieuw aan een ander op zijn dringende verzoek ten geschenke gegeven. Maar vanwege het zware werk dat met de voortdurende omzwervingen gepaard ging, vluchtte ik na een half jaar en keerde terug naar mijn eerste meester. Toen ik een keer met hem naar de stad moest rijden, vanwaaruit ik was gevlucht, verstopte ik me in de herberg, omdat ik de toorn van de tweede meester bovenmatig vreesde. Uiteindelijk kwam hij naar me toe, en beloofde me geen pijn te doen, zelfs om me mijn kleren terug te geven, als ik zou proberen de staart van een paard te stelen dat hij me in een stal aanwees. Ik schrok er een tijd voor terug om zoiets te doen. Maar uiteindelijk, uit angst voor hem en omdat ik mijn kleren graag terug wilde hebben, deed ik wat hij vroeg, ook al was ik doodsbenauwd dat de eigenaar van het paard of de bewoners van het huis me zouden betrappen. Toen ik hem de staart overhandigde, ontving ik mijn kleren terug, en was vanaf nu met hem verzoend. Maar ik voelde grote wroeging voor het feit dat ik het gebod van de Heer en de laatste vermaning van mijn vader niet had opgevolgd, en mij met een zondig mens via diefstal had verzoend om zo zelf een zondaar te worden. Voor de eerste meester die me in de badplaats had gestolen nadat ik mijn studie had opgegeven en die me tot zijn schildknaap had gemaakt, heb ik in totaal twee jaar geleefd. Wat ik aan afschuwelijke belevenissen heb meegemaakt in deze tijd, wil ik je nu, zo goed als ik kan, in een paar woorden vertellen.

Tweede hoofdstuk

Hoe slecht de andere bedienden van het huis Johan hebben behandeld

Wanneer mijn meester op reis ging, nam hij me soms mee, soms liet hij me thuis achter. Toen hij eens wat langer dan gewoonlijk wegbleef en ik achterbleef met een knecht en twee dienstmeisjes, dwong de knecht me om de koeien te hoeden zodat hij achter mijn rug om plezier kon hebben met de dienstmeisjes. Maar de dorpsbewoners, die me goed gezind waren, waren hier erg verontwaardigd over en waren van plan om, zodra mijn meester zou terugkeren, hem de verdorvenheid van de knecht onmiddellijk duidelijk te maken. Dergelijke bedreigingen maakten geen indruk op hem en hij drong er bij mij op aan om door te gaan de koeien te hoeden, terwijl hij de meid die eigenlijk verantwoordelijk was voor het koeien hoeden, ter bevrediging van zijn lage lusten binnen hield. Uiteindelijk stal hij kippen en ganzen van de boer om stiekem zijn vraatzucht te bevredigen. Tezelfdertijd besloot hij, zodra de meester terug zou komen, te vluchten, wat hij ook inderdaad deed in de nacht, dat de meester naar huis terugkeerde.

Een andere keer, toen de meester weer op reis was en ik bij een andere bediende thuis bleef, gebeurde er iets dergelijks. De gemene en trouweloze knecht brak de voorraadkamer van zijn meester open, nam het een en ander weg en ging er vandoor. Om de meester te laten geloven dat niet hij, maar ik de diefstal had begaan, gaf hij me amandelen en vijgen die hij had gestolen, om ze op te eten. Mij van geen kwaad bewust at ik ze achteloos in het openbaar op, omdat ze aan mij waren gegeven, maar ik kreeg een zeer zware straf van mijn meester omdat hij dacht dat ik ze had gestolen. Ik moest me voor hem naakt uitkleden en op een tafel gaan liggen en werd door vier boeren zo lang met de roe geslagen dat het bloed overal uit mijn huid spoot.

Derde hoofdstuk

Hoe Johan werd weggegeven aan een andere heer, met wie hij toen naar een vreemd landgoed verhuisde

Bij deze meester was ik tijdens het buitenwerk in de winter zo verkleumd dat iedereen me al had opgegeven en men dacht dat ik bijna dood was. Omdat ik niet wilde galopperen, omdat ik dat nog niet had geleerd, werd ik met geweld met een zweep geslagen door de heer die achter me aanreed en vreselijk toegetakeld. En aangezien ik nog niet goed kon paardrijden, gooiden de paarden, me op de grond en gingen op me staan, zodat ik dacht dat ik bijna dood was. Ook liet de heer mij, toen hij me leerde zwemmen, vaak in een diepe vijver vallen, zodat ik bijna verdronk.

Daarna heeft hij al zijn dienaren ontslagen en alleen mij in dienst gehouden. Terwijl hij in dienst trad van een andere heer, liet hij mij alleen in het kasteel achter en gaf mij en een paard aan enkele boeren om te bewaken. Het zou te ver voeren om het leven te beschrijven dat ik na zijn vertrek toen drie maanden lang met de boeren moest leiden Het was als dat van een lam onder de wolven.

Ondertussen keerde mijn heer terug en hij werd door zijn vrienden enthousiast ontvangen. Aan een van hen, mijnheer Šafařík, die mij graag wilde hebben, werd ik als een klein kadootje overhandigd. Met hem reisde ik nu dieper het binnenland van Bohemen in, naar het kasteel waar zijn ouders woonden, die ook ijverige aanhangers van de ketterij waren. Het kasteel is gelegen in het graafschap van de heer Hendrik van Dekov, in de buurt van de Petersburg, niet ver van de stad Rakonitz, en wordt Soseň genoemd. Mijn nieuwe meester was zelden thuis, maar diende met twee of drie paarden aan het hof van de koning of van een andere heer. Zijn broers hadden niet zo'n ridderlijk doel, want ze gingen vaak op jacht of gaven de voorkeur aan veeteelt en veehouderij met hun vader. Toen hij me had verworven, maakte hij snel afspraken om met mij als knecht naar het hof van een andere heer te gaan. Bij het afscheid werd de oude moeder erg verdrietig; ze volgde ons met een droevig hart tot voor het kasteel en las, zolang ze ons kon zien, voor ons bepaalde bijgelovige zegeningen. De Bohemers geven zich over aan veel bijgeloof; en soms werd ik door hen overgehaald om mij door middel van bijgelovige middelen van ziekten te laten genezen.

Vierde hoofdstuk

Hoe Johan bij verschillende ziekten werd geholpen door bijgelovige behandelingen

Toen ik eens last had van een zweer in de hals, werd ik bij een lelijke oude vrouw gebracht die haar duim in mijn oor deed, en terwijl haar andere hand op mijn hoofd rustte, mompelde ze enkele onverstaanbare woorden van zegen tussen haar tanden. Toen dit voorbij was, gaf ze me de volgende remedie: "Als je beter wilt worden," zei ze, "moet je in een beker drie verse, niet beschadigde eikenbladeren en rupsennesten doen; daar doe je een stuk van een luizenkam bij en drie vlokken vlas, die door de vingers van de spinsters werden gesponnen. Als de beker dan zo een dag en een nacht heeft gestaan, moet je drinken met de vaste hoop op genezing totdat je de pijn van de zweer niet meer voelt." Als ik na mijn herstel zich later weer soortgelijke verschijnselen zouden voordoen, dan moest ik, zo voegde ze eraan toe, mijn duim in de mond stoppen, hem drie keer omdraaien en de woorden zeggen die ze me had geleerd. Uiteindelijk volgde ik haar raad op en, na het drinken uit de beker, werd ik echt weer beter. En wanneer ik sindsdien iets in de hals voelde, genas ik het onmiddellijk met behulp van de genoemde aanwijzingen.

Een andere keer leed ik aan koorts, en gedurende lange tijd kon ik, ondanks allerlei medicijnen, nooit volledig genezen; steeds kwam de koorts na een paar dagen terug. De vrouw van mijn meester nam me mee en leidde me voor zonsopgang het open veld in. Hier ging ze met me op een kiezelsteen staan, en nadat ze veel zegen en vloeken over de koorts had uitgesproken, sneed ze schors van een boom en bond me dit op het naakte lichaam. Ik bleef dit drie dagen en drie nachten dragen en gooide toen als het ware de schors met de koorts in het vuur en ik was genezen. Vanaf dat moment raakte ik niet langer getroffen door de beide ziekten, totdat ik bij katholieke biechtvaders in Deventer had gebiecht, en zulke bijgelovige dingen verachtte. Maar vanaf die tijd kwamen de ziekten echter weer vaker terug, net alsof ze de verjaardag van hun vertrek wilden vieren.

Vijfde hoofdstuk

Hoe Johan met zijn meester ternauwernood aan de overvallers ontsnapte

In die tijd voelden we ons door de zegeningen van de moeder van mijn meester beschermd tegen ongelukken onderweg en kwamen zo bij de bosrijke bergketen die helemaal rond Bohemen loopt, met een breedte van drie tot vier mijl. Deze berg, die het Boheemse land in een straal van dertig mijl omsluit, is vol rovers. We trokken binnen met geladen geweren en de meester zei tegen mij: "Blijf achter mijn rug! Als je een hinderlaag van de overvallers aan de kant van de weg ontdekt, geef me dan een teken, en of ik ga vluchten of stoppen, blijf altijd bij mij in de buurt, wat er ook gebeurt!"

We waren het gebergte nog maar net binnengetrokken of we hadden al rovers achter ons aan. Je zag ze als donkere figuren, ineengedoken, uit grotten en struiken gluren en je hoorde ze tegen elkaar fluiten om elkaar op ons opmerkzaam te maken. We vluchtten een mijl in de meest snelle galop, zodat de paarden schuimden van het zweet. Daarna reden we wat langzamer om de dieren wat tot rust te laten komen. Plotseling kwam een van de overvallers recht op ons af. Aan de rechterkant droeg hij een breed, lang zwaard, links in de gordel een korte dolk, op zijn rug een dubbele bijl en over zijn schouders een harnas en verder nog een helm. We hebben op hem geschoten tot hij er vandoor ging. Toen we hoorden dat hij door snelle opeenvolgende fluitjes zijn kameraden opriep om te komen, gingen we opnieuw over in de snelste galop en gaven we de paarden onophoudelijk de sporen, wat hen nieuwe kracht scheen te geven.

Zesde hoofdstuk

Hoe de reizigers naar Praag kwamen en de schoonheid van deze stad

Zo werden we verscheidende keren gedwongen te vluchten, maar we kwamen gelukkig steeds goed weg. De rest van de reis is zonder verdere incidenten verlopen en zo kwamen we aan in de hoofdstad van het koninkrijk, die ze in hun taal Praha noemen, dat wil zeggen Drempel.

Praag is beroemd door zijn koningsburcht, waarin de heilige Wenceslav rust. Zij is in drie stadsdelen verdeeld, waar de Moldau tussendoor stroomt. Ieder stadsdeel wordt van de andere stadsdelen gescheiden door een muur en vormt op zich al een stad. Toch vormen de drie delen samen die ene stad Praag. Er is een Nieuwe Stad en een Oude Stad, die beide alleen door ketters worden bewoond. Het andere stadsdeel met de burcht ligt boven de rivier en wordt bewoond door katholieken. En de koning (Wladislaw II, 1471 - 1516), die ook Hongarije en het markgraafschap Moravië bezit, is zeer christelijk gezind. Op een keer zou hij bij een diner bijna door ketters zijn vermoord, als niet een van hen, die hem trouw gebleven was, hem op het laatste ogenblik door middel van een brief had gewaarschuwd.

Deze stad is, zoals de Boheemse kronieken vertellen, kort na de tijd van Abraham gesticht, evenals de steden Trier en Worms, en zij was reeds toen de zetel van koningen en bisschoppen. In het kleinere stadsdeel, dat is verbonden met de heuvel waarop de koninklijke burcht staat, bevindt zich ook de bisschoppelijke Sint Vitus-dom. De Oude Stad ligt helemaal in de vlakte en is met prachtige gebouwen gesierd, waaronder het Gerechtshuis, de markt, het uitgebreide raadhuis en het Collegium (Karelsuniversiteit), die alle door Karel IV zijn gesticht. De beide zijden van de stad zijn met elkaar verbonden door middel van een brug die op vierentwintig bogen rust. De twee delen van de grotere zijde zijn door een diepe gracht, met aan weerskanten een muur, gescheiden. Het verst weg gelegen deel, de Nieuwe Stad, strekt zich ver en breed uit tot aan de heuvels. In dit deel is de beroemde kerk van de heilige Catharina en van Karel de Grote te zien. Daar bevindt zich ook een opvallend, op een burcht gelijkend gebouw, waarin een van heinde en verre bezocht Collegium zijn zetel heeft.

Zevende hoofdstuk

Van de vroegere religieuze pracht van Bohemen en de Boheemse taal

Deze stad had ooit een reputatie van grote vroomheid en was het centrum van een machtig rijk. Zoals we lezen, had geen enkel land in Europa zo veel en zo mooie kerken als Bohemen. Er waren koepeltorens die tot de hemel reikten en goud-en-zilveraltaren met relikwieën van de heiligen. Er waren heilige gewaden bedekt met parels, de meest kostbare gewaden en voorwerpen. Het licht kwam binnen door hoge, brede ramen die versierd waren met prachtig glas in lood. En die pracht was niet alleen in de steden, maar ook in de dorpen te bewonderen.

Ook stond daar aan de oever van de Moldau, niet ver van Praag, het klooster van het koninklijk hof, waar de koningen werden begraven1. Het was geweldig om te zien. Behalve een kerk in schitterende bouwstijl, was er ook een prachtige slaapzaal en andere prachtige kamers voor de monniken te vinden, evenals een grote kruisgang die een grote tuin omzoomde. Op de muren van de kruisgang was het Oude en Nieuwe Testament met grote, duidelijke letters weergegeven, vanaf het begin van Genesis tot de Apocalyps van Johannes. In welke taal het was geschreven, Latijn of Tsjechisch, dat weet ik niet zeker. Hoewel er genoeg mensen zijn die Latijn kennen, gebruiken ze meer de volkstaal om de mensen met hun geschriften te onderwijzen. Zelfs de Heilige Schrift hebben ze in hun volkstaal vertaald, zodat die door iedereen begrepen kan worden. Van deze taal beweren zij dat het een van de tweeënzeventig talen is die werd geschapen bij de spraakverwarring van de toren van Babel. Er wordt gezegd dat van daaruit één iemand naar dit land kwam, en dat die Boheem heette, en sinds hij zich hier vestigde, werd het land vernoemd naar zijn naam: Bohemen. Hij heeft de mensen zijn taal gegeven, die daarmee de eerste van alle Slavische talen was. In feite herleiden de Slaven, zoals de Wenden, de Polen, de Litouwers en verschillende andere, de oorsprong van hun taal tot de Boheemse taal. Deze afzonderlijke talen wijken zeer weinig van elkaar af, behalve dat in sommige de lettergrepen langer worden uitgesproken, en in andere men meer plat en kort spreekt, net zoals men op een vergelijkbare manier het Hoogduits van het Nederduits kan onderscheiden.

Achtste hoofdstuk

Het Boheemse Onze Vader en het Credo als een taaltest

Om een idee te krijgen van dit Boheemse koeterwaals, leek het mij handig om hieronder het Onze Vader toe te voegen, die ze met de Engelse groet uit het Evangelie hebben gehaald, en de apostolische geloofsbelijdenis. Ik heb het met onze letters opgeschreven; maar die hebben een heel andere klank dan ze in onze uitspraak hebben. Als je nu het volgende leest, moet je er niet om lachen, vanwege de eerbied die we zijn verschuldigd aan de waarheid van het Evangelie, of die nu in deze of een andere taal wordt geuit. Terwijl ze bidden, heffen ze hun handen op naar de hemel, en ze bidden niet een bepaald aantal keren, dat wil zeggen, zonder rozenkrans, of, zoals we gewoonlijk zeggen, zonder paternoster; ik kan me niet herinneren rozenkransen bij ze te hebben gezien, noch van koralen, noch van edelstenen, noch van ander materiaal. Als gebed zeggen ze:

Vuotze naz, gen zi na nebessich wozwitze meno twy, brzyt gralosty twy, wut wula twa iaku phnebi dakus fzemy, Klyb naz vese leizy deyz nam tnes, wotpuzt nam naze vynne iakozt ymi wotpuztymi nazy wyndikum neotwet naz opokuzzeny a swaff naz wot sleyo. Amen.

Dan komt het Ave Maria:

Stravas zy Maria, myloz yss buelna; Pan wo ztebo; Ty sy bozzenana mesy szenamy, bozzenanei blott brzzycha twyo zwateyo Jesu Christa. Amen.

De laatste woorden die de Kerk, waartoe ze niet willen behoren, heeft toegevoegd, worden niet door hen gebeden omdat ze niet in het evangelie staan.

Hier volgt de geloofsbelijdenis die de apostelen hebben geschreven, en die daarom ook de apostolische geloofsbelijdenis wordt genoemd:

Werzym woha wotze wzemohutzy, sworzytele newe y wzeme, y Jesu Christa, syna yeho yedeneho, Pana nazeo, gentzy gest potzal duchem swatem, narodgylze Marya pany, turpiel pod Pontzkym Pilatem, wkrzjzowan vmrzeil y pozrewen stoupil do pekel trzezy den wstal zumertweych stoupil na nebessa seedgeitz na prawizy o Pana wozze wzemoutzio, wot dot przide sutgit szyuech y zumertweych. Werzyma ducha swateo, swateo kyrtew wo wo wetznuo, wzech swateych wopzowaninym, wuttpuzteni herzichum, zciella zkzizenyiy zywot wiezncy posmrthy. Amen.

Dit is de barbaarse taal van de barbaarse Bohemers, waarin waarschijnlijk de hele Bijbel is geschreven op de muren van de kruisgang van het bovengenoemde klooster. Je moet toch wel erg verrast zijn, want daarin komt de oude toewijding en zuiverheid van het geloof tot uiting die eens bloeide onder dit volk.

Negende hoofdstuk

Een korte beschrijving van het Boheemse land

Vroeger werd dit gebied, vanwege de zuiverheid van het christelijk geloof, een heerlijke bloem genoemd die de zoetste geur van alle christelijke naties uitstraalde. Maar het lot wilde dat het integendeel de ergste pestgeur verspreidde. O, moge ze weer worden als het juweel dat ze vroeger was!

In Bohemen is er ook nog een ander belangrijk klooster van onze orde. Eens hoedde een lekebroeder van dit klooster, een goede, eenvoudige man, in het bos de koeien. Hij vond daar een zilveren staaf, haalde die tevoorschijn, hing zijn monnikspij in een boom om later de plaats te kunnen terugvinden en bracht het zilver naar zijn abt. Deze haastte zich onmiddellijk naar de plek met de overige broeders, vond daar zilverhoudende erts in de grond en groef enorme schatten op. Toen de koning dat hoorde, stuurde hij er onmiddellijk mensen op af die binnen de kortste tijd door de gevonden schat rijk werden en bouwde daar een stad. Deze gaven ze de naam Kucina Horách, in het Duits Kuttenberg (tegenwoordig Kutná Hora), omdat de plaats is ontdekt bij een monnikspij (Kutte = habijt, monnikspij) opgehangen op de berg.

In zijn "Beschrijving van Europa", doet Enea Silvio kort verslag van zijn waarnemingen over de plaatsen, de omstandigheden, de stammen en de zeden en gewoonten van die streek. Ook in een van zijn dialogen over zijn diplomatieke missie naar Bohemen beschrijft hij uitvoerig de daar heersende conflicten. "Bohemen", zegt hij, "is omringd door Duitsland en volledig blootgesteld aan de noordenwind; in het oosten grenst het aan Moravië en Silezië, in het noorden aan Saksen en Meissen, in het westen aan het Neurenbergse gebied, in het zuiden aan Oostenrijk en Beieren; het is dus volledig omringd door Germaanse stammen. Lengte en breedte zijn bijna gelijk en bedragen drie dagreizen. Het Herzynische Woud[^herzynische-wald] omvat het hele land. De bekendste rivier is de Elbe, die door het midden van het land stroomt en irrigeert en waarin andere niet onbelangrijke rivieren uitkomen, zoals de Moldau, die door Praag stroomt. Ten slotte breekt de Elbe met zijn wilde wateren tussen nauwe valleien, ruige kliffen en door de woeste bergen van het Herzynische woud, stroomt door de provincie Meissen en mondt in Hamburg, een Saksische stad, uit in de Duitse Zee. Interessante steden van het koninkrijk zijn: Praag, de geëerde residentie van de Boheemse koningen; Kaaden, Brüx, Schlackenwerth en Kuttenberg, met beroemde koper- en zilvermijnen. Het is een erg koud gebied, maar er is een overvloed aan vee, wild en vis. De landbouwgrond is zeer goed en buitengewoon rijk aan fruit en gerst. Er is veel gedenkwaardigs gebeurd in onze tijd. Er zijn veel veldslagen gevoerd, er is veel bloed vergoten, steden zijn met de grond gelijk gemaakt, het ware geloof is veracht en vertrapt. De ketterij van de Hussieten werd verspreid, de waanzin van de Adamieten2 kwam bovendrijven; de legers van de Taborieten3 en de Wezen4 raasden door het land; de twee oorlogsaanvoerders Žižka en Prokop geselden en verwoestten dit land naar willekeur; Johannes Hus en Hieronymus van Praag, die de mensen hadden misleid, werden uiteindelijk verbrand op het grote Concilie van Konstanz. Jakobellus van Mies, Konrad von Waldhausen, Jan Rokycana en Peter van Engeland5, deze afvalligen van het evangelie werden beschouwd als leraren van de waarheid. Vier koningen slaagden er niet in om het verderfelijke gif uit te roeien, namelijk Wenzel, Sigismund, Albrecht en Ladislaus, van wie vermoed wordt dat hij door hen vergiftigd is. Met dit verslag komt in alle opzichten overeen wat broeder Bartholomeus Anglicus in zijn 15e boek over de karakteristieken van dingen schreef, evenals wat Jakobus van Bergamo en alle andere historici en kroniekschrijvers schreven.

Tiende hoofdstuk

Van de manier van leven der Bohemers

De bevolking van Bohemen is een grof soort mens en eet graag veel en pittig. Daarom luidt het gezegde dat een varken in Bohemen in één jaar meer saffraan eet dan een mens in Duitsland zijn hele leven lang.

De gewone mensen eten tijdens de lunch en het avondeten zelden minder dan vier gerechten, in de zomer bovendien nog knoedels met in boter gestoomde eieren en kaas als ontbijt, daar komen 's middags en 's avonds laat nog kaas met brood en melk bij.

Ze kleden zich in eenvoudige, grove stof; in plaats van schoenen of laarzen omwikkelen ze voet en scheenbeen met dierenhuiden, die ze onder de knie vastmaken met een band van stro. Zelden gebruiken ze laarzen. In de winter hebben ze vachten en wijde, over de schouders tot aan de gordel gedrapeerde gewaden met grote capuchons, want het is bekend dat het land erg koud is.

Hun woningen zijn gemaakt van dennenhout en hebben steenovens, zo breed als bakovens, waarin ze ook hun voedsel koken. Als deze oven 's ochtends wordt aangestoken, gaan als gevolg van de rook, die tot aan de zolder het hele huis vult, allen naar buiten en pas als het hout volledig is verbrand en de rook door ramen en deuren is weggetrokken, kan men gedurende de dag in huis blijven. Voor verlichting gebruiken de mensen in het land een veel voorkomende soort dennenboom, waarvan het hout in spanen wordt gesneden en 's avonds aangestoken in een in het midden van de kamer hangende luchter.

Ze besteden veel zorg aan hun haar; vaak heb ik mannen gezien bij wie het kunstig verzorgde haar in lokken tot de middel viel en vrouwen, bij wie het meestal glad gestreken tot aan de kuiten of enkels reikte. Ook maken ze veel werk van hemden en dassen, met kragen en sjaals; deze stoffen zijn geweven van zijde en goud. De jongeren zijn vooral geïnteresseerd in deze sieraden; ze bekijken zich vaak en denken dan dat ze iets voorstellen.

Elfde hoofdstuk

Van de gebruiken der Bohemers

In de veertigdaagse vastentijd en op alle vrijdagen het hele jaar door, onthouden ze zich van zuivelproducten. Daardoor ontstond bij ons het gezegde: "Een Bohemer zal eerder een paard uit de stal stelen dan op vrijdag een ei eten." Tijdens het werk drinkt men, vooral de armen, een eenvoudig drankje, hoewel er verschillende soorten bier zijn, die echter alleen in de steden worden gebrouwen. Maar er wordt in de buurt van de grotere steden ook wijn verbouwd, die vrij duur verkocht wordt. Betere wijnen worden in grote hoeveelheden geïmporteerd uit Hongarije en andere aangrenzende gebieden. Afgezien van het zout, dat ze in de handel met hun producten kopen, zijn ze voldoende voorzien van alle noodzakelijke goederen in hun eigen land. De Joden, die meestal in de steden wonen, worden net zo veracht en bespot als bij ons. Er zijn allerlei soorten sekten en allerlei soorten ketterijen, vooral in de stad Tabor, zoals Enea Silvio beschrijft. De rijken zijn meestal zo dik als de Epicuriërs, zo zeer dat ze het vooruitstekende deel van het lichaam moeten dragen in een draagband die aan de nek is vastgemaakt. De mannen zijn stevig gebouwd, vierkant en gespierd, de vrouwen strak en wulps; ze dragen hooggesloten kleren, tot aan de kin. De mouwen van deze jurken zijn breed, maar slechts tot aan de elleboog, terwijl de mouwen zijn bedekt met zijde zoals bij de mannen en de arm volledig omsluiten.

Twaalfde hoofdstuk

Van de onbeschaafde gewoonten der Bohemers

Zoals in Bohemen de bodem uiterst vruchtbaar is, lijken de mensen er erg gevoelig voor lust, die zich in het bijzonder manifesteert wanneer men met voedsel en drank plezier maakt. Dit is vooral te merken op het platteland en bij de boeren wanneer ze naar de stad komen en het betere bier proeven dat ze Altbier noemen en het witte brood dat ze "Keilkuchen" noemen. Want als ze op de markt komen, dan trekken ze, zo gauw ze hun zaken hebben afgehandeld, zich terug in de herberg. Daar zitten dan de boeren, met de handen vol Keilkuchen en ze spoelen het witte brood weg met een paar kannen bier. Als ze verzadigd zijn, beginnen ze voor zichzelf te neuriën. Maar als ze een vrouw zien, voor wie ze kunnen zingen, dan stoten ze de meest zonderlinge en onbeschaamde klanken uit, net zoals de hengst tegen de merrie brult. Dit doen niet alleen dronken boeren, maar ook mensen uit hogere klassen, zoals edelen en ridders.

Zo gebeurde het eens dat mijn heer zijn dienst bij een graaf wilde opzeggen, en deze zijn lamme paarden aanbood en schadevergoeding eiste. De graaf weigerde echter en antwoordde boos: "Wat kan het mij schelen dat je je paarden hebt afgejakkerd door te rennen en te springen voor de vrouwen en meisjes? Je hebt dat niet in opdracht van mij en ook niet voor mij gedaan, maar uit dwaze uitbundigheid, om de vrouwen te plezieren, zonder dat iemand je daar opdracht toe gaf." Zo was het inderdaad ook. Want als we met de graaf uitreden en langs een burcht of een adellijk kasteel kwamen, waar misschien meisjes of vrouwen waren, dan stormden we, zolang het kasteel te zien was, als gekken in razende galop met de meest gevaarlijke sprongen over het land, over hekken en sloten, waarbij we met luide kreten de armen en benen omhoog in de lucht staken en schreeuwden: "Jü jü heya hoya hossa hossa! O nula peckna grasna pana" enzovoort. Het is dus gebruikelijk bij de mensen aan het hof om dergelijke uitroepen te richten tot degenen van wie ze houden. Maar de meisjes lachen om hun dwaasheid en maken ze daardoor nog meer opgewonden. Als er maar twee of drie aanwezig zijn, dan hangen ze witte kussens op aan de vensters om ze te laten geloven dat er meer zijn die naar ze kijken. O, deze dwaasheid van mannen en deze valsheid, deze spot en misleiding van vrouwen! Wie hebben de vrouwen niet voor de gek gehouden en bedrogen!

Dertiende hoofdstuk

Van de liefde en de eet- en drinkgewoonten der Bohemers

Ik kende daar een graaf, een goede christen,van wie gezegd werd dat hij van een voorname jongedame hield. Die jongedame werd echter ook begeerd door een andere, lager geplaatste, Boheemse edelman. Hij werd zo verteerd door haat en jaloezie dat hij zijn eer en waardigheid vergat en zijn rivaal uitdaagde tot een duel. Toen in de strijd hun beide paarden gevallen waren, vochten ze te voet verder en sloegen met de zwaarden op elkaar in. De graaf was de mindere van zijn tegenstander, hoewel deze een klein postuur had, zodat men het gezegde op hem kon toepassen: "Dit kleine lichaam werd beheerst door een enorme kracht."

Toen de graaf weigerde zich over te geven, werd hij gedood. En dat was het einde van de liefdesaffaire. O wat een ellende wanneer iemand zich door vrouwen laat ringeloren door aan de leiband van liefde te lopen; zo iemand is dwaas of zal het spoedig worden, als hij zo graag liefde wil. Want als hij liefheeft, verliest hij zijn verstand; hij kent vervolgens wet noch maat en liefde de veroorzaakt bij hem bittere pijn. Maar nu moet je niet geloven dat zulke dwaasheden daar uitsluitend horen bij de adel; ik zou de edelen eerder beschermen en prijzen dan beschuldigen, vooral omdat ik vijf jaar hun brood heb gegeten. Dit soort dwaasheden komt veel vaker voor bij burgers en boeren. Het schreeuwen en joelen van liederen en gezang onder het venster van de geliefde is te horen in steden, maar ook in de kastelen en op het platteland, vooral 's nachts en in de winter. Zulke vocale oefeningen zijn echter zo vreselijk om aan te horen, dat in onze streken de mensen ontsteld met de wapens in de aanslag te hoop zouden lopen, als iemand een dergelijke kreet zou laten horen. Daar valt het echter niet op, omdat het de gewoonte van de jongeren is.

De boeren zijn, zoals opgemerkt, goede eters, en wanneer ze naar de stad komen, proppen ze zowel hun wangen als buik vol alsof ze worst aan het maken zijn. Je zou lachen als je zou kunnen zien eten, hoe ze zelfs op straat het wittebrood tussen hun tanden schuiven en praten en eten, terwijl de brokken uit hun mond vallen. Bij het drinken echter zijn ze, om de waarheid te zeggen, veel fatsoenlijker en gematigder dan de mensen aan de kust, zoals in Nederland, waar zelfs vrouwen drie of vier pullen, ja soms zelfs een hele kuip met boter aangemaakt bier gedurende een dag of een halve dag leeg drinken. Met een dergelijke hoeeveelheid zou ik in Bohemen tien mensen een week lang kunnen vermaken. Het is toch wel erg, dronkenschap van een vrouw.

Veertiende hoofdstuk

Over de religieuze omstandigheden in Bohemen

Bij de Bohemers is het toasten, zoals bij ons gebruikelijk is, onbekend. Iedereen drinkt zoveel als hij wil, en niemand wordt door een ander uitgenodigd. Ze hebben daar een zeer sterk en krachtig bier, genaamd Altbier, dat zo stroperig is dat je voorwerpen bijna ermee aan elkaar kunt lijmen.

In mijn tijd werd daar juist een kelder herbouwd die dertig jaar daarvoor was ingestort; daarin werden twee soorten bier zonder vat gevonden in hun eigen zeer dikke huid. Toen ze, alsof het hout was, doorboord werden, tapten ze zo'n uitstekend bier eruit dat niemand zou kunnen zeggen dat hij ooit zoiets heerlijks hadden gedronken.

Zulke zaken heb ik in Bohemen meer waargenomen dan religieuze en spirituele, omdat mijn leven zich er vooral afspeelde onder dorpelingen en op kastelen, in de bossen en op het land, waar geen kerkdiensten werd gehouden. Maar één keer per jaar zag ik op Witte Donderdag dat een priester naar het kasteel gebracht werd om in een kamer aan een tafel de mis te lezen; en zij die dat verlangden en die van te voren hadden gebiecht, kregen sacramenten toegediend. Ik lachte hierom, en aangezien ik dit ketters vond en niet gedwongen werd hieraan deel te nemen, zag ik ervan af, want ik was erg bang dat ik na thuiskomst van onze priesters geen absolutie zou krijgen. Dat was ook de reden waarom ik tijdens mijn vijfjarig verblijf in Bohemen niet heb gebiecht en niet ter communie ben gegaan; en dat heb ik hen ook duidelijk gemaakt toen ze me uitnodigden om aan het avondmaal deel te nemen. Ik was vooral gerustgesteld door het voorbeeld van degenen die zelfs vijftien tot twintig jaar niet hadden gebiecht of ter communie waren gegaan. Want er zijn sommigen onder hen die zichzelf als de beste christenen beschouwen, onze gewoonten verwerpen en ons als slechte christenen verachten. De zondagen worden volgens het gebod van God feestelijk beleefd en bovendien vieren ze ook enkele heiligendagen. Ik merkte zelden dat er voor eeb overledene werd gebeden. Ik zag kleine kinderen en dwazen ter communie gaan. Ik heb nooit iets gezien van heilig water of zout. Aan de andere kant zijn ze rijk aan alle mogelijke soorten bijgeloof. Over hun religieuze praktijk kan ik je niets schrijven, want daarover weet niets met zekerheid, behalve dat ze een deel van de mis, namelijk de Brieven, het Evangelie, de Geloofsbelijdenis en andere zaken die het gewone volk moet weten, in hun eigen taal heb horen zingen. Op welke punten ze afwijken van de zuiverheid van het christelijk geloof, beschrijft Hartmann Schedel kort in zijn kroniek, waarvan we er het een en ander zullen aanhalen. Maar of het er nog steeds zo aan toegaat en of het er destijds toen ik er was, op een dergelijke manier aan toeging, dat weet ikt niet zeker, omdat ik uit ontzag voor hen mij er niet mee bezig hield, en zij zelf zorgden er zorgvuldig voor om dat ik hun geloofsprincipes niet te weten kwam. Alle ketterse artikelen zouden ze hebben overgenomen uit het evangeliecommentaar van een zekere Engelsman, John Wiclif, waaraan anderen, zoals Jan Hus, Hieronymus van Praag en Jan Rokycana, later het een en ander hebben toegevoegd. Maar ook een zekere Peter van Dresden en de premonstratenzer monnik Johan zijn met nieuwe dwalingen bedacht en hebben ze aan die goedgelovige mensen tot hun verderf bijgebracht. Jan Hus en Hieronymus van Praag werden verbrand op het Concilie van Konstanz; ze hielden zo hardnekkige vast aan hun mening, dat men, zoals Poggio als ooggetuige schrijft, zich geen filosoof kan voorstellen die zo vredig zijn dood tegemoet zou gaan. Maar Hieronymus was een man van ongelooflijke welsprekendheid, en daarom moeten ook de Bohemers beiden als heiligen jaarlijks vereren.

De leerstellingen van hun verderfelijke ketterij zijn naar verluidt de volgende. De Romeinse bisschop is gelijk aan de andere bisschoppen. Er zou geen vagevuur zijn. Het heeft geen zin om voor de doden te bidden, dit komt enkel voort uit priesterlijke hebzucht. De beelden van God en de heiligen moeten worden vernield en de bedelorden zijn uitgevonden door boze geesten. De priesters moeten arm zijn en alleen tevreden zijn met een aalmoes. De biecht is iets doms; het zou genoeg zijn als iedereen zijn zonden aan God in zijn eigen kamer zou opbiechten. Ook gewijde begraafplaatsen zijn een ijdel gebruik. En de priester mag overal de hostie consacreren. Het canonieke getijdengebed is een verspilling van tijd. De door de Kerk ingestelde vasten bevat niets verdienstelijks. Daarbij komen nog veel andere dwalingen die door hen worden toegepast.

Vijftiende hoofdstuk

Over de religieuze dwalingen van de Bohemers

Het nieuws van deze dwalingen zou al heel lang in onze regio's zijn doorgedrongen, zelfs zonder dat de pastoor van Oberwesel, een professor in de heilige theologie, ze in zijn boeken had verspreid, waarvan hij er verschillende heeft publiceerd. Hij was door een van Aken teruggekeerde Bohemer meegenomen en besmet geraakt door de dwalingen van de Bohemers. Maar hij werd in Mainz gedwongen zijn geschriften te herroepen en in het openbaar te verbranden. Hij had ook verschillende artikelen geschreven die in strijd waren aan het geloof en de Roomse Kerk; een ervan luidt: De heilige Petrus heeft het vasten ingesteld omdat hij een visser was en hij daardoor zijn vis sneller en duurder kon verkopen.

In Bohemen is er een stad genaamd Tabor, die verschillende soorten ketters herbergt, over wie Enea Silvio in zijn dialoog; veel schrijft en waarvan hij de volgende dwalingen opsomt: "Ze willen de Romeinse paus niet erkennen als hun hoofd, laat staan het primaat of de Kerk. De geestelijkheid zou geen eigendom moeten hebben. Ze ontkennen het vagevuur. Ze verwerpen alle schilderijen. De voorspraak van de heiligen die reeds met Christus waren, zouden de stervelingen niet ten goede komen. Ze vieren geen feestdagen behalve zondag en Pasen. Jonge kinderen en dwazen kunnen deelnemen aan de eucharistie en brood en wijn in ontvangst nemen. Wanneer zij het offer vieren, zeggen zij alleen het gebed van de Heer en de woorden van consecratie. Daarbij verwisselen ze hun wereldse kleding niet voor een habijt. Sommigen beweren zelfs dat het sacrament van het altaar niet het ware lichaam van de Heer is, maar slechts een idee ervan. Van de sacramenten accepteren ze de doop, de eucharistie, het huwelijk en de priesterwijding; ze geven niet veel om de biecht, en al helemaal niet om het vormsel en het laatste oliesel. Ze zijn dodelijke vijanden van de kloosterorden en beweren dat dit uitvindingen zijn van de duivel. Voor de doop nemen ze gewoon rivierwater. Noch water noch zout wordt bij hen gewijd. Ze hebben geen gewijde begraafplaatsen en begraven hun doden zoals ze het verdienen: in het veld, zoals het vee. Ze lachen om de kerkwijding en ze vieren het avondmaal op elke willekeurige plaats. Ze hebben geen grotere zorg dan het beluisteren van de preek. Wanneer iemand daarin nalatig is of tijdens de prediking met zaken of met spel bezig is, krijgt hij slagen met de roe en wordt gedwongen om naar binnen te gaan en het woord van God te horen. Ze hebben een houten huis dat een tempel wordt genoemd, maar ziet eruit als een schuur. Daar prediken de priesters en leggen elke dag de kerkelijke wetten uit. Maar er is slechts één altaar in en dat is niet gewijd zijn en wordt ook niet gewijd. De priesters hebben noch de tonsuur, noch scheren ze zich." Tot zover Enea Silvio.

Er wordt gezegd dat bij hen nog een andere afschuwelijke dwaasheid in gebruik is. Na de preek moet de congregatie zich verzamelen in de kerk en na de "groeit en vermenigvuldigt!" worden de kaarsen gedoofd, en paart men met de eerste de beste. Maar ik heb er nog nooit van gehoord.


  1. Het klooster Aula regia lag op de plaats waar de Beroun in de Moldau stroomde, het werd in 1298 door koning Wenceslav II (1278-1305) gesticht en in 1420 door de Taborieten verwoest.  

  2. De Adamieten vormden de radikaalste groep van de Hussieten, in 1421 door Jan Žižka verslagen. 

  3. De Taborieten vormden een radikale vleugel van de Hussieten met als centrum de stad Tábor. Ze leden in 1434 een nederlaag bij Lipany en werden vervolgens in 1437 volledig verslagen. 

  4. De Wezen of Orfanieten, een gematigde groep, die zich van de Taborieten afsplitste. 

  5. Peter Payne