Tweede Boek

Eerste hoofdstuk

Hoe Johan gedurende twee jaren in dienst was van verschillende heren

Nadat ik je, beste Philip, van mijn schooltijd heb verteld, die ik voortijdig moest afbreken vanwege die ruwe begeleider aan deze kant van de Boheemse bergen, heb ik je de belangrijkste dingen verteld en veel ervan moest ik, om het niet te lang te maken, overslaan. Nu zal ik je in het tweede deel van dit reisboekje kort moeten melden wat er aan de andere kant van de bergen, als het ware temidden van de ketters van mij geworden is.

❡ Zoals reeds vermeld, werd ik in Karelsbad stiekem door een voorname Bohemer1 ontvoerd en meegenomen naar de binnenlanden van het koninkrijk, maar nog niet voorbij de bergen. Op een klein landgoed van hem in Sichlau had ik het heel goed en leerde ik in korte tijd de nationale taal en het paardrijden.

❡ Toen ik dit voldoende beheerste, gaf een van zijn vrienden uit Luditz2, die van adel, maar een vreselijke ketter was, de wens te kennen om mij in dienst te nemen. Mijn meester ging akkoord en ik werd naar Luditz gebracht.

❡ Mijn nieuwe meester was getrouwd met een zeer rijke vrouw, aan wie hij een hekel had vanwege haar leeftijd. Hij probeerde eerst met vleiende woorden, en toen ik weigerde, met dreigementen en klappen, me ertoe over te halen om jonge meisjes van mijn voormalige boerderij en landgoed voor hem te strikken en hem ter beschikking te stellen voor zijn ongeoorloofde liefde. Maar toen hij al een tijdlang tevergeefs geprobeerd had me tot koppelaar te maken, nam hij mij mijn nette pak af, dat ik had meegenomen, en borg het op. Ik zou het pas terugkrijgen als ik de dienstmeisjes die hij verlangde, en die elke week van het landgoed naar de markt kwamen, probeerde voor hem te winnen.

❡ Mij bewust van de vaderlijke aansporing om op te passen voor zulke slechtheid, liet ik de wrede man en mijn kleren achter en vluchtte weg van deze verknipte ketter naar mijn vorige meester. Die ontving me vriendelijk en hield me bij hem toen ik de reden van mijn ontsnapping vertelde. Kort daarna werd ik opnieuw aan een ander op zijn dringende verzoek ten geschenke gegeven. Maar vanwege het zware werk dat met de voortdurende omzwervingen gepaard ging, vluchtte ik na een half jaar en keerde terug naar mijn eerste meester. Toen ik een keer met hem naar de stad moest rijden, vanwaaruit ik was gevlucht, verstopte ik me in de herberg, omdat ik de toorn van de tweede meester bovenmatig vreesde. Uiteindelijk kwam hij naar me toe, en beloofde me geen pijn te doen, zelfs om me mijn kleren terug te geven, als ik zou proberen de staart van een paard te stelen dat hij me in een stal aanwees. Ik schrok er een tijd voor terug om zoiets te doen. Maar uiteindelijk, uit angst voor hem en omdat ik mijn kleren graag terug wilde hebben, deed ik wat hij vroeg, ook al was ik doodsbenauwd dat de eigenaar van het paard of de bewoners van het huis me zouden betrappen. Toen ik hem de staart overhandigde, kreeg ik mijn kleren terug, en was vanaf nu met hem verzoend. Maar ik voelde grote wroeging voor het feit dat ik het gebod van de Heer en de laatste vermaning van mijn vader niet had opgevolgd, en mij met een zondig mens via diefstal had verzoend om zo zelf een zondaar te worden. Voor de eerste meester die me in de badplaats had gestolen nadat ik mijn studie had opgegeven en die me tot zijn schildknaap had gemaakt, heb ik in totaal twee jaar gewerkt. Wat ik in deze tijd aan afschuwelijke belevenissen heb meegemaakt, zal ik je nu, zo goed als ik kan, in een paar woorden vertellen.

Tweede hoofdstuk

Hoe slecht de andere bedienden van het huis Johan hebben behandeld

Wanneer mijn meester op reis ging, nam hij me soms mee, soms liet hij me thuis achter. Toen hij eens wat langer dan gewoonlijk wegbleef en ik achterbleef met een knecht en twee dienstmeisjes, dwong de knecht me om de koeien te hoeden zodat hij achter mijn rug om plezier kon hebben met de dienstmeisjes. Maar de dorpsbewoners, die me goed gezind waren, waren hier erg verontwaardigd over en ze waren van plan om, zodra mijn meester zou terugkeren, hem de verdorvenheid van de knecht onmiddellijk duidelijk te maken. Dergelijke dreigementen maakten echter geen indruk op hem en hij drong er bij mij op aan om door te gaan de koeien te hoeden, terwijl hij de meid die eigenlijk verantwoordelijk was voor het koeien hoeden, ter bevrediging van zijn lage lusten binnen hield. Uiteindelijk stal hij kippen en ganzen van de boer om stiekem zijn vraatzucht te bevredigen. Tezelfdertijd besloot hij, zodra de meester terug zou komen, te vluchten, wat hij ook inderdaad deed in de nacht, dat de meester naar huis terugkeerde.

❡ Een andere keer, toen de meester weer op reis was en ik met een andere bediende thuis bleef, gebeurde er iets dergelijks. De gemene en trouweloze knecht brak de voorraadkamer van zijn meester open, nam het een en ander weg en ging er vandoor. Om de meester te laten geloven dat niet hij, maar ik de diefstal had gepleegd, gaf hij me amandelen en vijgen die hij had gestolen, om ze op te eten. Mij van geen kwaad bewust at ik ze achteloos in het openbaar op, omdat ze aan mij waren gegeven, maar ik kreeg een zeer zware straf van mijn meester omdat hij dacht dat ik ze had gestolen. Ik moest me voor hem naakt uitkleden en op een tafel gaan liggen en werd door vier boeren zo lang met de roe geslagen dat het bloed overal uit mijn huid spoot.

Derde hoofdstuk

Hoe Johan werd weggegeven aan een andere heer, met wie hij toen naar een vreemd landgoed verhuisde

Bij deze meester was ik tijdens het buitenwerk in de winter zo verkleumd dat iedereen me al had opgegeven en dacht dat ik bijna dood was. Omdat ik niet wilde galopperen, want dat had ik nog niet geleerd, werd ik met geweld met een zweep geslagen en vreselijk toegetakeld door de heer die achter me aanreed. En doordat ik nog niet goed kon paardrijden, gooiden de paarden me op de grond en gingen op me staan, zodat ik dacht dat ik bijna dood was. Ook liet de heer mij, toen hij me leerde zwemmen, vaak in een diepe vijver vallen, zodat ik bijna verdronk.

❡ Daarna heeft hij al zijn dienaren ontslagen en alleen mij in dienst gehouden. Terwijl hij in dienst trad van een andere heer, liet hij mij alleen in het kasteel achter en gaf mij en een paard aan enkele boeren om te bewaken. Het zou te ver voeren om het leven te beschrijven dat ik na zijn vertrek toen drie maanden lang met de boeren moest leiden Het was als dat van een lam onder de wolven.

❡ Ondertussen keerde mijn heer terug en hij werd door zijn vrienden enthousiast ontvangen. Aan een van hen, mijnheer Šafařík, die mij graag wilde hebben, werd ik als een klein kadootje overhandigd. Met hem reisde ik nu dieper het binnenland van Bohemen in, naar het kasteel waar zijn ouders woonden, die ook ijverige aanhangers van de ketterij waren. Het kasteel is gelegen in het graafschap van de heer Hendrik van Dekov, in de buurt van de Petersburg, niet ver van de stad Rakonitz, en wordt Soseň 3 genoemd. Mijn nieuwe meester was zelden thuis, maar diende met twee of drie paarden aan het hof van de koning of van een andere heer. Zijn broers hadden niet zo'n ridderlijk doel, want ze gingen vaak op jacht of gaven de voorkeur aan veeteelt en veehouderij met hun vader. Toen hij me had verworven, maakte hij snel afspraken om met mij als knecht naar het hof van een andere heer te gaan. Bij het afscheid werd de oude moeder erg verdrietig; ze volgde ons met een droevig hart tot voor het kasteel en sprak, zolang ze ons kon zien, over ons bepaalde bijgelovige zegeningen uit. De Bohemers geven zich over aan veel bijgeloof; en soms werd ik door hen overgehaald om mij door middel van bijgelovige middelen van ziekten te laten genezen.

Vierde hoofdstuk

Hoe Johan bij verschillende ziekten werd geholpen door bijgelovige behandelingen

Toen ik eens last had van een zweer in de hals, werd ik bij een lelijke oude vrouw gebracht die haar duim in mijn oor deed, en terwijl haar andere hand op mijn hoofd rustte, mompelde ze enkele onverstaanbare woorden van zegen tussen haar tanden. Toen dit voorbij was, gaf ze me het volgende advies: "Als je beter wilt worden," zei ze, "moet je in een beker drie verse, onbeschadigde eikenbladeren en rupsennesten doen; daar doe je een stuk van een luizenkam bij en drie vlokken vlas, die door de vingers van de spinsters werden gesponnen. Als de beker dan zo een dag en een nacht heeft gestaan, moet je drinken met de vaste hoop op genezing totdat je de pijn van de zweer niet meer voelt." Als zich na mijn herstel later weer soortgelijke verschijnselen zouden voordoen, dan moest ik, zo voegde ze eraan toe, mijn duim in de mond stoppen, hem drie keer omdraaien en de woorden zeggen die ze me had geleerd. Uiteindelijk volgde ik haar raad op en, na het drinken uit de beker, werd ik echt weer beter. En wanneer ik sindsdien iets in de hals voelde, genas ik het onmiddellijk met behulp van de genoemde aanwijzingen.

❡ Een andere keer leed ik aan koorts, en gedurende lange tijd kon ik, ondanks allerlei medicijnen, nooit volledig genezen; steeds kwam de koorts na een paar dagen terug. De vrouw van mijn meester nam me mee en leidde me voor zonsopgang het open veld in. Hier ging ze met me op een steen staan, en nadat ze veel zegen en vloeken over de koorts had uitgesproken, sneed ze schors van een boom en bond me dit op het naakte lichaam. Ik bleef dit drie dagen en nachten dragen en gooide toen als het ware de schors met de koorts in het vuur en ik was genezen. Vanaf dat moment werd ik niet langer getroffen door de beide ziekten, totdat ik bij katholieke biechtvaders in Deventer had gebiecht, die mij leerden zulke bijgelovige dingen te verachten. Maar vanaf die tijd kwamen de ziekten echter weer vaker terug, net alsof ze de verjaardag van hun vertrek wilden vieren.

Vijfde hoofdstuk

Hoe Johan met zijn meester ternauwernood aan de overvallers ontsnapte

In die tijd voelden we ons door de zegeningen van de moeder van mijn meester beschermd tegen ongelukken onderweg en kwamen zo bij de bosrijke bergketen die helemaal rond Bohemen loopt, met een breedte van drie tot vier mijl. Deze berg, die het Boheemse land in een straal van dertig mijl omsluit, zit vol rovers. We trokken binnen met geladen geweren en de meester zei tegen mij: "Blijf achter mijn rug! Als je een hinderlaag van de overvallers aan de kant van de weg ontdekt, geef me dan een teken, en of ik ga vluchten of stoppen, blijf altijd bij mij in de buurt, wat er ook gebeurt!"

❡ We waren het gebergte nog maar net binnengetrokken of we hadden al rovers achter ons aan. Je zag ze als donkere figuren, ineengedoken, uit grotten en struiken gluren en je hoorde ze tegen elkaar fluiten om elkaar op ons opmerkzaam te maken. We vluchtten een mijl in de snelste galop, zodat de paarden schuimden van het zweet. Daarna reden we wat langzamer om de dieren wat tot rust te laten komen. Plotseling kwam een van de overvallers recht op ons af. Aan de rechterkant droeg hij een breed, lang zwaard, links in de gordel een korte dolk, op zijn rug een dubbele bijl en over zijn schouders een harnas en verder nog een helm. We hebben op hem geschoten tot hij er vandoor ging. Toen we hoorden dat hij door snelle opeenvolgende fluitjes zijn kameraden opriep om te komen, gingen we opnieuw over in de snelste galop en gaven we de paarden onophoudelijk de sporen, wat hen nieuwe kracht scheen te geven.

Zesde hoofdstuk

Hoe de reizigers naar Praag kwamen en over de schoonheid van deze stad

Zo werden we verscheidende keren gedwongen te vluchten, maar we kwamen gelukkig steeds goed weg. De rest van de reis is zonder verdere incidenten verlopen en zo kwamen we aan in de hoofdstad van het koninkrijk, die ze in hun taal Praha noemen, dat wil zeggen Drempel.

❡ Praag is beroemd door zijn koningsburcht, waarin de heilige Wenceslav rust.[^37] Zij is in drie stadsdelen verdeeld, waar de Moldau tussendoor stroomt. Ieder stadsdeel wordt van de andere stadsdelen gescheiden door een muur en vormt op zich al een stad. Toch vormen de drie delen samen die ene stad Praag. Er is een Nieuwe Stad en een Oude Stad, die beide alleen door ketters worden bewoond. Het andere stadsdeel[^38] met de burcht ligt boven de rivier en wordt bewoond door katholieken. En de koning (Wladislaw II, 1471 - 1516)[^39], die ook Hongarije en het markgraafschap Moravië bezit, is zeer christelijk gezind. Op een keer zou hij bij een diner bijna door ketters zijn vermoord, als niet een van hen, die hem trouw gebleven was, hem op het laatste ogenblik door middel van een brief had gewaarschuwd.

❡ Deze stad is, zoals de Boheemse kronieken[^40] vertellen, kort na de tijd van Abraham gesticht, evenals de steden Trier en Worms, en zij was reeds toen de zetel van koningen en bisschoppen. In het kleinere stadsdeel, dat is verbonden met de heuvel waarop de koninklijke burcht staat, bevindt zich ook de bisschoppelijke Sint Vitus-dom. De Oude Stad ligt helemaal in de vlakte en is met prachtige gebouwen gesierd, waaronder het Gerechtshuis, de markt, het uitgebreide raadhuis en het Collegium[^41] (Karelsuniversiteit), die alle door Karel IV[^42] zijn gesticht. De beide zijden van de stad zijn met elkaar verbonden door middel van een brug die op vierentwintig bogen rust.[^43] De twee delen van de grotere zijde zijn door een diepe gracht, met aan weerskanten een muur, gescheiden. Het verst weg gelegen deel, de Nieuwe Stad, strekt zich ver en breed uit tot aan de heuvels. In dit deel is de beroemde kerk van de heilige Catharina en van Karel de Grote te zien. Daar bevindt zich ook een opvallend, op een burcht gelijkend gebouw, waarin een van heinde en verre bezocht Collegium zijn zetel heeft.

Zevende hoofdstuk

Van de vroegere religieuze pracht van Bohemen en de Boheemse taal

Deze stad had ooit een reputatie van grote vroomheid en was het centrum van een machtig rijk. Zoals we lezen, had geen enkel land in Europa zo veel en zo mooie kerken als Bohemen. Er waren koepeltorens die tot de hemel reikten en goud-en-zilveraltaren met relikwieën van de heiligen. Er waren heilige gewaden bedekt met parels, de meest kostbare gewaden en voorwerpen. Het licht kwam binnen door hoge, brede ramen die versierd waren met prachtig glas in lood. En die pracht was niet alleen in de steden, maar ook in de dorpen te bewonderen.

❡ Ook stond daar aan de oever van de Moldau, niet ver van Praag, het klooster van het koninklijk hof, waar de koningen werden begraven4. Het was geweldig om te zien. Behalve een kerk in schitterende bouwstijl, was er ook een prachtige slaapzaal5 en andere mooie kamers voor de monniken te vinden, evenals een grote kruisgang die een grote tuin omzoomde. Op de muren van de kruisgang was het Oude en Nieuwe Testament met grote, duidelijke letters weergegeven,6 vanaf het begin van Genesis tot de Apocalyps van Johannes. In welke taal het was geschreven, Latijn of Tsjechisch, dat weet ik niet zeker. Hoewel er genoeg mensen zijn die Latijn kennen, gebruiken ze meer de volkstaal om de mensen met hun geschriften te onderwijzen. Zelfs de Heilige Schrift hebben ze in hun volkstaal vertaald, zodat die door iedereen begrepen kan worden. Van deze taal beweren zij dat het een van de tweeënzeventig talen is die werd geschapen bij de spraakverwarring van de toren van Babel. Er wordt gezegd dat van daaruit één iemand naar dit land kwam, en dat die Boheem heette, en sinds hij zich hier vestigde, werd het land vernoemd naar zijn naam: Bohemen. Hij heeft de mensen zijn taal gegeven, die daarmee de eerste van alle Slavische talen was. In feite herleiden de Slaven, zoals de Wenden, de Polen, de Litouwers en verschillende andere, de oorsprong van hun taal tot de Boheemse taal. Deze afzonderlijke talen wijken zeer weinig van elkaar af, behalve dat in sommige de lettergrepen langer worden uitgesproken, en in andere men meer plat en kort spreekt, net zoals men op een vergelijkbare manier het Hoogduits van het Nederduits kan onderscheiden.

Achtste hoofdstuk

Het Boheemse Onze Vader en het Credo als een taaltest

Om een idee te krijgen van dit Boheemse koeterwaals, leek het mij handig om hieronder het Onze Vader toe te voegen, die ze met de Engelse groet uit het Evangelie hebben gehaald, en de apostolische geloofsbelijdenis. Ik heb het in onze letters opgeschreven; maar die hebben een heel andere klank dan ze in onze uitspraak hebben. Als je nu het volgende leest, moet je er niet om lachen, vanwege de eerbied die we zijn verschuldigd aan de waarheid van het Evangelie, of die nu in deze of een andere taal wordt geuit. Terwijl ze bidden, heffen ze hun handen op naar de hemel, en ze bidden niet een bepaald aantal keren, dat wil zeggen, zonder rozenkrans, of, zoals we gewoonlijk zeggen, zonder paternoster; ik kan me niet herinneren rozenkransen bij ze te hebben gezien, noch van koralen, noch van edelstenen, noch van ander materiaal.7 Als gebed zeggen ze:

Vuotze naz, gen zi na nebessich wozwitze meno twy, brzyt gralosty twy, wut wula twa iaku phnebi dakus fzemy, Klyb naz vese leizy deyz nam tnes, wotpuzt nam naze vynne iakozt ymi wotpuztymi nazy wyndikum neotwet naz opokuzzeny a swaff naz wot sleyo. Amen.

❡ Dan komt het Ave Maria:

Stravas zy Maria, myloz yss buelna; Pan wo ztebo; Ty sy bozzenana mesy szenamy, bozzenanei blott brzzycha twyo zwateyo Jesu Christa. Amen.

❡ De laatste woorden die de Kerk, waartoe ze niet willen behoren, heeft toegevoegd, worden niet door hen gebeden omdat ze niet in het evangelie staan.

❡ Hier volgt de geloofsbelijdenis die de apostelen hebben geschreven, en die daarom ook de apostolische geloofsbelijdenis wordt genoemd:

Werzym woha wotze wzemohutzy, sworzytele newe y wzeme, y Jesu Christa, syna yeho yedeneho, Pana nazeo, gentzy gest potzal duchem swatem, narodgylze Marya pany, turpiel pod Pontzkym Pilatem, wkrzjzowan vmrzeil y pozrewen stoupil do pekel trzezy den wstal zumertweych stoupil na nebessa seedgeitz na prawizy o Pana wozze wzemoutzio, wot dot przide sutgit szyuech y zumertweych. Werzyma ducha swateo, swateo kyrtew wo wo wetznuo, wzech swateych wopzowaninym, wuttpuzteni herzichum, zciella zkzizenyiy zywot wiezncy posmrthy. Amen.

❡ Dit is de barbaarse taal van de barbaarse Bohemers, waarin waarschijnlijk de hele Bijbel is geschreven op de muren van de kruisgang van het bovengenoemde klooster. Je moet toch wel erg verrast zijn, want daarin komt de oude toewijding en zuiverheid van het geloof tot uiting die eens bloeide onder dit volk.

Negende hoofdstuk

Een korte beschrijving van het Boheemse land

Vroeger werd dit gebied, vanwege de zuiverheid van het christelijk geloof, een heerlijke bloem genoemd die de zoetste geur van alle christelijke naties uitstraalde. Maar het lot wilde dat het integendeel de ergste pestgeur verspreidde. O, moge ze weer worden als het juweel dat ze vroeger was!

❡ In Bohemen is er ook nog een ander belangrijk klooster van onze orde. Eens hoedde een lekebroeder8 van dit klooster, een goede, eenvoudige man, in het bos de koeien. Hij vond daar een zilveren staaf, haalde die tevoorschijn, hing zijn monnikspij in een boom om later de plaats te kunnen terugvinden en bracht het zilver naar zijn abt. Deze haastte zich onmiddellijk naar de plek met de overige broeders, vond daar zilverhoudende erts in de grond en groef enorme schatten op. Toen de koning dat hoorde, stuurde hij er onmiddellijk mensen op af die binnen de kortste tijd door de gevonden schat rijk werden en bouwde daar een stad. Deze gaven ze de naam Kucina Horách, in het Duits Kuttenberg (tegenwoordig Kutná Hora),9 omdat de plaats is ontdekt bij een monnikspij (Kutte = habijt, monnikspij) opgehangen op de berg.

❡ In zijn "Beschrijving van Europa", doet Enea Silvio kort verslag van zijn waarnemingen van de plaatsen, de omstandigheden, de stammen en de zeden en gewoonten van die streek. Ook in een van zijn dialogen over zijn diplomatieke missie naar Bohemen beschrijft hij uitvoerig de daar heersende conflicten. "Bohemen", zegt hij, "is omringd door Duitsland en volledig blootgesteld aan de noordenwind; in het oosten grenst het aan Moravië en Silezië, in het noorden aan Saksen en Meissen, in het westen aan het Neurenbergse gebied, in het zuiden aan Oostenrijk en Beieren; het is dus volledig omringd door Germaanse stammen. Lengte en breedte zijn bijna gelijk en bedragen drie dagreizen. Het Herzynische Woud10 omringt het hele land. De bekendste rivier is de Elbe, die door het midden van het land stroomt en irrigeert en waarin andere niet onbelangrijke rivieren uitkomen, zoals de Moldau, die door Praag stroomt. Ten slotte breekt de Elbe met zijn wilde wateren tussen nauwe valleien, ruige kliffen en door de woeste bergen van het Herzynische woud, stroomt door de provincie Meissen en mondt in Hamburg, een Saksische stad, uit in de Duitse Zee. Interessante steden van het koninkrijk zijn: Praag, de geëerde residentie van de Boheemse koningen; Kaaden, Brüx, Schlackenwerth en Kuttenberg, met beroemde koper- en zilvermijnen. Het is een erg koud gebied, maar er is een overvloed aan vee, wild en vis. De landbouwgrond is zeer goed en buitengewoon rijk aan fruit en gerst. Er is veel gedenkwaardigs gebeurd in onze tijd. Er zijn veel veldslagen gevoerd, er is veel bloed vergoten, steden zijn met de grond gelijk gemaakt, het ware geloof is veracht en vertrapt. De ketterij van de Hussieten werd verspreid, de waanzin van de Adamieten11 kwam bovendrijven; de legers van de Taborieten12 en de Wezen13 raasden door het land; de twee oorlogsaanvoerders Žižka14 en Prokop15geselden en verwoestten dit land naar willekeur; Johannes Hus16 en Hieronymus van Praag,17 die de mensen hadden misleid, werden uiteindelijk verbrand op het grote Concilie van Konstanz. Jakobellus van Mies,18 Konrad von Waldhausen,19 Jan Rokycana20 en Peter van Engeland[^peter-payne],21 deze afvalligen van het evangelie werden beschouwd als leraren van de waarheid. Vier koningen slaagden er niet in om het verderfelijke gif uit te roeien, namelijk Wenzel,22 Sigismund,23 Albrecht24 en Ladislaus,25 van wie vermoed wordt dat hij door hen vergiftigd is.

❡ Met dit verslag komt in alle opzichten overeen wat broeder Bartholomeus Anglicus26 in zijn 15e boek over de karakteristieken van dingen schreef, evenals wat Jakobus van Bergamo27 en alle andere historici en kroniekschrijvers schreven.

Tiende hoofdstuk

Van de manier van leven der Bohemers

De bevolking van Bohemen is een grof soort mens en eet graag veel en pittig. Daarom luidt het gezegde dat een varken in Bohemen in één jaar meer saffraan eet dan een mens in Duitsland zijn hele leven lang.

❡ De gewone mensen eten tijdens de lunch en het avondeten zelden minder dan vier gerechten, in de zomer bovendien nog knoedels met in boter gestoomde eieren en kaas als ontbijt, daar komen 's middags en 's avonds laat nog kaas met brood en melk bij.

❡ Ze kleden zich in eenvoudige, grove stof; in plaats van schoenen of laarzen omwikkelen ze voet en scheenbeen met dierenhuiden, die ze onder de knie vastmaken met een band van stro. Zelden gebruiken ze laarzen. In de winter hebben ze vachten en wijde, over de schouders tot aan de gordel gedrapeerde gewaden met grote capuchons, want het is bekend dat het land erg koud is.

❡ Hun woningen zijn gemaakt van dennenhout en hebben steenovens, zo breed als bakovens, waarin ze ook hun voedsel koken. Als deze oven 's ochtends wordt aangestoken, gaan als gevolg van de rook, die tot aan de zolder het hele huis vult, allen naar buiten en pas als het hout volledig is verbrand en de rook door ramen en deuren is weggetrokken, kan men gedurende de dag in huis blijven. Voor verlichting gebruiken de mensen in het land een veel voorkomende soort dennenboom, waarvan het hout in spanen wordt gesneden en 's avonds aangestoken in een in het midden van de kamer hangende luchter.

❡ Ze besteden veel zorg aan hun haar; vaak heb ik mannen gezien bij wie het kunstig verzorgde haar in lokken tot de middel viel en vrouwen, bij wie het meestal glad gestreken tot aan de kuiten of enkels reikte. Ook maken ze veel werk van hemden en dassen, met kragen en sjaals; deze stoffen zijn geweven van zijde en goud. De jongeren zijn vooral geïnteresseerd in deze sieraden; ze bekijken zich vaak en denken dan dat ze iets voorstellen.

Elfde hoofdstuk

Van de gebruiken der Bohemers

In de veertigdaagse vastentijd en op alle vrijdagen het hele jaar door, onthouden ze zich van zuivelproducten. Daardoor ontstond bij ons het gezegde: "Een Bohemer zal eerder een paard uit de stal stelen dan op vrijdag een ei eten." Tijdens het werk drinken vooral de armen een eenvoudig drankje, hoewel er verschillende soorten bier zijn, die echter alleen in de steden worden gebrouwen. Maar er wordt in de buurt van de grotere steden ook wijn verbouwd, die vrij duur verkocht wordt. Betere wijnen worden in grote hoeveelheden geïmporteerd uit Hongarije en andere aangrenzende gebieden. Afgezien van het zout, dat ze in de handel met hun producten kopen, zijn ze voldoende voorzien van alle noodzakelijke goederen uit hun eigen land. De Joden, die meestal in de steden wonen, worden net zo veracht en bespot als bij ons. Er zijn allerlei soorten sekten en allerlei soorten ketterijen, vooral in de stad Tabor, zoals Enea Silvio beschrijft. De rijken zijn meestal zo dik als de Epicuriërs, zo zeer dat ze het vooruitstekende deel van het lichaam moeten dragen in een draagband die aan de nek is vastgemaakt. De mannen zijn stevig gebouwd, vierkant en gespierd, de vrouwen strak en wulps; ze dragen hooggesloten kleren, tot aan de kin. De mouwen van deze jurken zijn breed, maar slechts tot aan de elleboog, terwijl de mouwen zijn bedekt met zijde zoals bij de mannen en de arm volledig omsluiten.

Twaalfde hoofdstuk

Van de onbeschaafde gewoonten der Bohemers

Zoals in Bohemen de bodem uiterst vruchtbaar is, lijken de mensen er erg gevoelig voor lust, die zich in het bijzonder manifesteert wanneer men met voedsel en drank plezier maakt. Dit is vooral te merken op het platteland en bij de boeren wanneer ze naar de stad komen en het betere bier proeven dat ze Altbier noemen en het witte brood dat ze "Blatz" noemen. Want als ze op de markt komen, dan trekken ze, zo gauw ze hun zaken hebben afgehandeld, zich terug in de herberg. Daar zitten dan de boeren, met de handen vol Blatz en ze spoelen het witte brood weg met een paar kannen bier. Als ze verzadigd zijn, beginnen ze voor zichzelf te neuriën. Maar als ze een vrouw zien, voor wie ze kunnen zingen, dan stoten ze de meest zonderlinge en onbeschaamde klanken uit, net zoals de hengst tegen de merrie brult. Dit doen niet alleen dronken boeren, maar ook mensen uit de hogere klassen, zoals edelen en ridders.

❡ Zo gebeurde het eens dat mijn heer zijn dienst bij een graaf wilde opzeggen, en deze zijn lamme paarden aanbood en schadevergoeding eiste. De graaf weigerde echter en antwoordde boos: "Wat kan het mij schelen dat je je paarden hebt afgejakkerd door te rennen en te springen voor de vrouwen en meisjes? Je hebt dat niet in opdracht van mij en ook niet voor mij gedaan, maar uit dwaze uitbundigheid, om de vrouwen te plezieren, zonder dat iemand je daar opdracht toe gaf." Zo was het inderdaad ook. Want als we met de graaf uitreden en langs een burcht of een adellijk kasteel kwamen, waar misschien meisjes of vrouwen waren, dan stormden we, zolang het kasteel te zien was, als gekken in razende galop met de meest gevaarlijke sprongen over het land, over hekken en sloten, waarbij we met luide kreten de armen en benen omhoog in de lucht staken en schreeuwden: "Jü jü heya hoya hossa hossa! O nula peckna grasna pana" enzovoort. Het is dus gebruikelijk bij de mensen aan het hof om dergelijke uitroepen te richten tot degenen van wie ze houden. Maar de meisjes lachen om hun dwaasheid en maken ze daardoor nog meer opgewonden. Als er maar twee of drie aanwezig zijn, dan hangen ze witte kussens op aan de vensters om ze te laten geloven dat er meer zijn die naar ze kijken. O, deze dwaasheid van mannen en deze valsheid, deze spot en misleiding van vrouwen! Wie hebben de vrouwen niet voor de gek gehouden en bedrogen!

Dertiende hoofdstuk

Van de liefde en de eet- en drinkgewoonten der Bohemers

Ik kende daar een graaf, een goede christen, van wie gezegd werd dat hij van een voorname jongedame hield. Die jongedame werd echter ook begeerd door een andere, lager geplaatste, Boheemse edelman. Hij werd zo verteerd door haat en jaloezie dat hij zijn eer en waardigheid vergat en zijn rivaal uitdaagde tot een duel. Toen in de strijd hun beide paarden gevallen waren, vochten ze te voet verder en sloegen met de zwaarden op elkaar in. De graaf was de mindere van zijn tegenstander, hoewel deze een klein postuur had, zodat men het gezegde op hem kon toepassen: "Dit kleine lichaam werd beheerst door een enorme kracht."

❡ Toen de graaf weigerde zich over te geven, werd hij gedood. En dat was het einde van de liefdesaffaire. O wat een ellende wanneer iemand zich door vrouwen laat ringeloren door aan de leiband van liefde te lopen; zo iemand is dwaas of zal het spoedig worden, als hij zo graag liefde wil. Want als hij liefheeft, verliest hij zijn verstand; hij kent vervolgens wet noch maat en liefde de veroorzaakt bij hem bittere pijn. Maar nu moet je niet geloven dat zulke dwaasheden daar uitsluitend horen bij de adel; ik zou de edelen eerder beschermen en prijzen dan beschuldigen, vooral omdat ik vijf jaar hun brood heb gegeten. Dit soort dwaasheden komt veel vaker voor bij burgers en boeren. Het schreeuwen en joelen van liederen en gezang onder het venster van de geliefde is te horen in steden, maar ook in de kastelen en op het platteland, vooral 's nachts en in de winter. Zulke vocale oefeningen zijn echter zo vreselijk om aan te horen, dat in onze streken de mensen ontsteld met de wapens in de aanslag te hoop zouden lopen, als iemand een dergelijke kreet zou laten horen. Daar valt het echter niet op, omdat het de gewoonte van de jongeren is.

❡ De boeren zijn, zoals opgemerkt, goede eters, en wanneer ze naar de stad komen, proppen ze zowel hun wangen als buik vol alsof ze worst aan het maken zijn. Je zou lachen als je zou kunnen zien eten, hoe ze zelfs op straat het wittebrood tussen hun tanden schuiven en praten en eten, terwijl de brokken uit hun mond vallen. Bij het drinken echter zijn ze, om de waarheid te zeggen, veel fatsoenlijker en gematigder dan de mensen aan de kust, zoals in Nederland, waar zelfs vrouwen drie of vier pullen, ja soms zelfs een hele kuip met boter aangemaakt bier in een dag of een halve dag leeg drinken. Met een dergelijke hoeeveelheid zou ik in Bohemen tien mensen een week lang kunnen vermaken. Het is toch wel erg, dronkenschap van een vrouw.

Veertiende hoofdstuk

Over de religieuze omstandigheden in Bohemen

Bij de Bohemers is het toasten, zoals wij dat kennen, onbekend. Iedereen drinkt zoveel als hij wil, en niemand wordt door een ander uitgenodigd. Ze hebben daar een zeer sterk en krachtig bier, genaamd Altbier, dat zo stroperig is dat je voorwerpen bijna ermee aan elkaar kunt lijmen.

❡ In mijn tijd werd daar juist een kelder herbouwd die dertig jaar daarvoor was ingestort; daarin werden twee soorten bier zonder vat gevonden in hun eigen zeer dikke huid. Toen ze, alsof het hout was, doorboord werden, tapten ze zo'n uitstekend bier eruit dat niemand zou kunnen zeggen dat hij ooit zoiets heerlijks had gedronken.

❡ Zulke zaken heb ik in Bohemen meer waargenomen dan religieuze en spirituele, omdat mijn leven zich er vooral afspeelde onder dorpelingen en op kastelen, in de bossen en op het land, waar geen kerkdiensten werden gehouden. Maar één keer per jaar zag ik op Witte Donderdag dat een priester naar het kasteel gebracht werd om in een kamer aan een tafel de mis te lezen; en zij die dat verlangden en die van te voren hadden gebiecht, kregen sacramenten toegediend onder twee gedaanten. Ik lachte hierom, en aangezien ik dit ketters vond en niet gedwongen werd hieraan deel te nemen, zag ik ervan af, want ik was erg bang dat ik na thuiskomst van onze priesters geen absolutie zou krijgen. Dat was ook de reden waarom ik tijdens mijn vijfjarig verblijf in Bohemen niet heb gebiecht en niet ter communie ben gegaan; en dat heb ik hen ook duidelijk gemaakt toen ze me uitnodigden om aan het avondmaal deel te nemen. Ik was vooral gerustgesteld door het voorbeeld van degenen die zelfs vijftien tot twintig jaar niet hadden gebiecht of ter communie waren gegaan. Want er zijn sommigen onder hen die zichzelf als de beste christenen beschouwen, onze gewoonten verwerpen en ons als slechte christenen verachten. De zondagen worden volgens het gebod van God feestelijk beleefd en bovendien vieren ze ook enkele heiligendagen. Ik merkte zelden dat er voor een overledene werd gebeden. Ik zag kleine kinderen en dwazen ter communie gaan. Ik heb nooit iets gezien van heilig water of zout. Aan de andere kant zijn ze rijk aan alle mogelijke soorten bijgeloof. Over hun religieuze praktijk kan ik je niets schrijven, want daarover weet ik niets met zekerheid, behalve dat ik ze een deel van de mis, namelijk de Brieven, het Evangelie, de Geloofsbelijdenis en andere zaken die het gewone volk moet weten, in hun eigen taal heb horen zingen. Op welke punten ze afwijken van de zuiverheid van het christelijk geloof, beschrijft Hartmann Schedel kort in zijn kroniek, waaruit we het een en ander zullen aanhalen. Maar of het er nog steeds zo aan toegaat en of het er destijds toen ik er was, op een dergelijke manier aan toeging, dat weet ik niet zeker, omdat ik uit respect voor hen mij er niet mee bezig hield, en zij zelf zorgden er zorgvuldig voor dat ik hun geloofsprincipes niet te weten kwam. Alle ketterse artikelen zouden ze hebben overgenomen uit het evangeliecommentaar van een zekere Engelsman, John Wiclif,28 waaraan anderen, zoals Jan Hus, Hieronymus van Praag en Jan Rokycana, later het een en ander hebben toegevoegd. Maar ook een zekere Peter van Dresden29 en de premonstratenzer monnik Johan30 zijn met nieuwe dwalingen bedacht en hebben ze aan die goedgelovige mensen tot hun verderf bijgebracht. Jan Hus en Hieronymus van Praag werden verbrand op het Concilie van Konstanz; ze hielden zo hardnekkige vast aan hun mening, dat men, zoals Poggio31 als ooggetuige schrijft, zich geen filosoof kan voorstellen die zo vredig zijn dood tegemoet zou gaan. Maar Hieronymus was een man van ongelooflijke welsprekendheid, en daarom moeten ook de Bohemers beiden als heiligen jaarlijks vereren.

❡ De leerstellingen van hun verderfelijke ketterij zijn naar verluidt de volgende. De Romeinse bisschop is gelijk aan de andere bisschoppen. Er zou geen vagevuur zijn. Het heeft geen zin om voor de doden te bidden, dit komt enkel voort uit priesterlijke hebzucht. De beelden van God en de heiligen moeten worden vernield en de bedelorden zijn uitgevonden door boze geesten. De priesters moeten arm zijn en alleen tevreden zijn met een aalmoes. De biecht is iets doms; het zou genoeg zijn als iedereen zijn zonden aan God in zijn eigen kamer zou opbiechten. Ook gewijde begraafplaatsen zijn een ijdel gebruik. En de priester mag overal de hostie consacreren. Het canonieke getijdengebed is een verspilling van tijd. De door de Kerk ingestelde vasten bevat niets verdienstelijks. Daarbij komen nog veel andere dwalingen die door hen worden toegepast.

Vijftiende hoofdstuk

Over de religieuze dwalingen van de Bohemers

Het nieuws van deze dwalingen zou al heel lang in onze regio's zijn doorgedrongen, zelfs zonder dat de pastoor van Oberwesel,32 een professor in de heilige theologie, ze in zijn boeken had verspreid, waarvan hij er verschillende heeft publiceerd. Hij was door een van Aken33 teruggekeerde Bohemer meegenomen en besmet geraakt met de dwalingen van de Bohemers. Maar hij werd in Mainz gedwongen zijn geschriften te herroepen en in het openbaar te verbranden. Hij had ook verschillende artikelen geschreven die in strijd waren met het geloof en de Roomse Kerk; een ervan luidt: de heilige Petrus heeft het vasten ingesteld omdat hij een visser was en hij daardoor zijn vis sneller en duurder kon verkopen.

❡ In Bohemen is er een stad, genaamd Tabor, die verschillende soorten ketters herbergt, over wie Enea Silvio in zijn Dialoog34 veel schrijft en waarvan hij de volgende dwalingen opsomt: "Ze willen de Paus van Rome niet erkennen als hun hoofd, zelfs niet het primaat of de Kerk. De geestelijkheid zou geen eigendom moeten hebben. Ze ontkennen het vagevuur. Ze verwerpen alle schilderijen. De voorspraak van de heiligen die reeds met Christus waren, zouden de stervelingen niet ten goede komen. Ze vieren geen feestdagen behalve zondag en Pasen. Jonge kinderen en dwazen kunnen deelnemen aan de eucharistie en brood en wijn in ontvangst nemen. Wanneer zij het offer vieren, zeggen zij alleen het gebed van de Heer en de woorden van consecratie. Daarbij verwisselen ze hun wereldse kleding niet voor een habijt. Sommigen beweren zelfs dat het sacrament van het altaar niet het ware lichaam van de Heer is, maar slechts een idee ervan. Van de sacramenten accepteren ze de doop, de eucharistie, het huwelijk en de priesterwijding; ze geven niet veel om de biecht, en al helemaal niet om het vormsel en het laatste oliesel. Ze zijn dodelijke vijanden van de kloosterorden en beweren dat dit uitvindingen zijn van de duivel. Voor de doop nemen ze gewoon rivierwater. Noch water noch zout wordt bij hen gewijd. Ze hebben geen gewijde begraafplaatsen en begraven hun doden zoals ze het verdienen: in het veld, zoals het vee. Ze lachen om de kerkwijding en ze vieren het avondmaal op elke willekeurige plaats. Ze hebben geen grotere zorg dan het beluisteren van de preek. Wanneer iemand daarin nalatig is of tijdens de prediking met zaken of met spel bezig is, krijgt hij slaag met de roe en wordt hij gedwongen om naar binnen te gaan en het woord van God te horen. Ze hebben een houten huis dat een tempel wordt genoemd, maar het ziet eruit als een schuur. Daar prediken de priesters en leggen elke dag de kerkelijke wetten uit. Maar er is slechts één altaar in en dat is niet gewijd en wordt ook niet gewijd. De priesters hebben noch de tonsuur, noch scheren ze zich." Tot zover Enea Silvio.

❡ Er wordt gezegd dat bij hen nog een andere afschuwelijke dwaasheid in gebruik is. Na de preek moet de congregatie zich verzamelen in de kerk en na het "groeit en vermenigvuldigt u!" worden de kaarsen gedoofd, en paart men met de eerste de beste. Maar ik heb er nog nooit van gehoord.35

Zestiende hoofdstuk

Van mode in de steden en een rijke molenaar

De Bohemers ontbreekt het niet aan aardse goederen. Maar of ze het in de hemel zo goed zullen hebben, valt te betwijfelen. Moge de almachtige God ervoor zorgen dat ze tot beter inzicht komen en van hun dwalingen zullen terugkeren! Ik wilde kort iets zeggen over de toestand en de gebruiken in het land, opdat je niet denkt dat ik daar in het centrum van het land niet zou hebben rondgekeken.

❡ De bovenstaande opmerkingen zijn echter meer van toepassing op de plattelandsbevolking dan op de stedelingen. Natuurlijk verschillen de gebruiken van de voorname burgers en stedelingen enigszins van die van de boeren, bijvoorbeeld door de grotere welstand, door de ruimere en langere kleding, of het haar dat ze zorgvuldiger verzorgen; ze binden het haar vast met linnen of kleurrijke zijden linten, of laten het gekruld hangen. De lange, dunne vlechten dragen ze onder de met vossenbont afgezette hussietenmantels. Aan de hoge hoeden van vossenbont kan men de ketterse mannen en aan de tot op de grond afhangende bontmantels de vrouwen herkennen als ze naar de kerk gaan. Voor de rest, zoals overal elders, zijn er goede en slechte, arme en rijke mensen, die over het algemeen als gierig worden beschouwd, volgens de woorden van de Romeinse satirische dichter Juvenalis:36 "Je voelt steeds de liefde voor geld groeien met toenemende welvaart; wie die niet heeft, mag het ook niet begeren ... "

❡ Ik kende daar een molenaar die oorspronkelijk een straatarme vreemdeling was en daarna zo'n rijke man is geworden dat hij, naast zijn molenbedrijf, dagelijks zijn landerijen liet ploegen met vijftien ploegen, elk met twee knechten en getrokken door vier paarden. Tegelijkertijd bezat hij nog steeds zoveel geld en graan dat hij in rijkdom niet onderdeed voor een grote edelman. Hoewel het algemeen bekend was dat hij rijk was, droeg hij een sjofele en verstelde kiel; en reed hij onder andere zelf het meel naar de steden en dorpen. Maar als de koning en zijn gevolg naar de naburige stad Rakonitz kwamen, moest hij hem van brood voorzien voor de duur van zijn verblijf.

Zeventiende hoofdstuk

Johan wordt door de Bohemers Jonker genoemd, maar hij wordt behandeld als een hond

Ook hoorde ik van een andere steenrijke, maar niet zo zuinige man. Hij was als een arme jongen uit Alemannia naar de stad Kutná Hora bij een weduwe gekomen die hij later, toen hij volwassen was, tot vrouw nam, waardoor hij plotseling enorm rijk werd en ook de naam Pan Hanse, dat betekent de heer Hans, verwierf. Voor hun Duitse medeburgers gebruiken de Bohemers niet een Boheemse, maar een licht aangepaste Duitse naam, zodat ze niet als geboren Bohemers worden beschouwd. De boeren noemen echter al gauw iedereen die anders is dan zij in manieren of kleding, stand of rijkdom, eenvoudigweg 'heer'. Daarom noemden ze mij, hoe onbekend ik ook was, Pan Hansel, dat betekent meneer Hansje, wat ik wel leuk vond. Dan dacht ik bij mezelf: "Is het niet beter om de Bohemers te dienen, door wie je meneer of Panitz (Jonker) wordt genoemd dan achter de boeken te zitten en door je medestudenten te worden uitgescholden, voor schut te worden gezet en niet gerespecteerd te worden? " Zo dacht ik vaak als ik me goed voelde. Maar als ik door mijn meester met de zweep werd geslagen of geschopt, was de lol er voor mij af om 'heer' genoemd te worden. Daartegenover worden de persoonlijke bedienden, die voortdurend met de heer meegaan en dag en nacht voor hem klaar staan, nog tamelijk fatsoenlijk behandeld. Ze geven ze betere dagen dan de knechten; als je het tenminste "goede dagen" kunt noemen als je een heer met angst en schrik moet dienen, als je geen moment voor jezelf hebt om je te ontspannen, waar je als knaap toch zo hard behoefte aan hebt; als je bij bijna elk woord van de heer met knikkende knieën zijn driftbuien met grote kalmte moet verdragen, harde of vernederende bevelen en zelfs slaag moet ondergaan! Als jonge man moest ik dit en nog veel meer doormaken bij de hierboven genoemde edelen en ook bij mijn meester, die ik ongeveer drie jaar heb gediend en met wie ik naar Praag kwam, wat de aanleiding was tot deze afdwaling.

Achttiende hoofdstuk

Waarom Johannes de minnares van de kasteelheer in Chlum niet respecteerde als de vrouwe van het kasteel

Ondertussen volgden we onze weg van Praag naar het kasteel van de edelman bij wie mijn meester in dienst wilde treden. Het kasteel heette Chlum37 en lag in de buurt van Moravië, niet ver van het Herzynische Woud, dat - zoals reeds vermeld - heel Bohemen omringt. Na drie dagen kwamen we daar aan en werden we vriendelijk verwelkomd.

❡ Tijdens ons verblijf reden we vaak met de kasteelheer naar Moravië, waar hij een zoon had, naar Praag, of naar andere plaatsen. De kasteelheer was een dikke man, erg rijk en krachtig, maar nogal gierig. Zijn vrouw was de dochter van een christelijke graaf; maar hij behandelde haar, ik weet niet waarom, als een gevangene en ging niet met haar om. In plaats daarvan leefde hij met de vrouw van een arme edelman. Deze bestierde het hele huishouden en werd door iedereen als moeder en huisvrouw geëerd. Maar ik verafschuwde haar en beschouwde haar als een vrouw van lichte zeden, en toonde geen respect voor haar. Daardoor haalde ik vaak het misnoegen op de hals van haar en haar heer, en werd ik gestraft door mijn heer met slaag wanneer zij mij om het minste of geringste ergens van beschuldigde. Ze liep me voortdurend na, op zoek naar een reden om me uit het huis te kunnen zetten, want het ergerde haar zeer, dat ze door iedereen als kasteelvrouw geëerd werd, maar alleen door mij, de Duitse christen-jongen, als een prostituee werd geminacht en veracht. Ze wist heel goed dat ik op geen enkele manier eerbied voor haar zou kunnen opbrengen en dat ik haar minachtte vanwege het bestaan van de wettige kasteelvrouw (de heer had voor zijn schandelijke liefde de voorkeur aan haar gegeven). Zo gebeurde het op een keer dat ze van haar geheime bespieders vernomen had, dat ik de restjes eten van tafel nam om te verdelen onder de kinderen van de wasvrouw die beneden aan de voet van het kasteel woonde. Onmiddellijk ging ze klagen bij de kasteelheer, en hij liet me uit huis jagen. Mijn meester echter was het zeer tegen de zin dat ik om zo'n onbeduidende reden werd weggestuurd, hij maakte geen geheim van zijn ongenoegen en keerde kort daarna naar zijn familie terug, waarheen hij mij had vooruitgezonden.

❡ Toen hij erover dacht om naar een ander landgoed te verhuizen, wilde ik niet meer met hem meegaan. Ik vroeg toestemming om na zeven jaar ellende naar huis terug te keren. Daarom smeekte ik hem in tranen, maar hij werd ongelooflijk driftig tegen mij, zodat hij mij half dood sloeg. Daarna vertrok hij met een andere knecht, nadat hij zijn ouders en broers opdracht had gegeven om mijn goede kleren achter slot en grendel op te bergen en me nauwlettend in de gaten te houden. Als ik zou proberen te ontsnappen, moesten ze me achtervolgen en aan de eerste de beste boom ophangen.

Negentiende hoofdstuk

Hoe een oude vrouw Johan wilde helpen ontsnappen door zwarte kunst

Arme ik, wat moest ik doen? Ik was vreselijk bang. Tot wie moest ik mij wenden? Ik wist het niet. Mijn gedachten waren verward. Een pijnlijke rusteloosheid knaagde aan mijn hart, dat nergens anders dan thuis bij mijn moeder was. Bovendien had ik gehoord van de grote sterfte die de pest in Duitsland had veroorzaakt, en er ging overal het gerucht dat de vreselijke epidemie het Boheemse land naderde. Ik was bang om te sterven in het land waar ik de verdoemenis van de ziel vreesde. Maar hoe kon ik daar vandaan ontsnappen? Dag en nacht zon ik wanhopig op een manier waarop ik zou kunnen vluchten.

❡ In mijn angst heb ik een oude vrouw om raad gevraagd. Ze kreeg medelijden met me en zei: "Als je mijn raad wilt opvolgen, zorg ik er voor dat je gauw thuiskomt." Maar toen ik van haar de manier had gehoord om thuis te komen, waarbij ik slechts één nacht en één dag nodig zou hebben om op de plaats van bestemming te komen, riep ik: "In het vuur met jou; dat heb je verdiend!" Want zij was een boze heks, ervaren in duivelse kunsten, zoals je ze daar veel hebt. Ze wilde me, zei ze, op een zwarte koe door bossen en valleien en bergen naar huis brengen met haar magische kunsten. Het scheelde weinig of ik was er op in gegaan. Alleen de angst om door de duivel te worden beïnvloed, heeft me er vanaf gehouden. Ik zag dit oude wijf onder twee gedaanten ter communie gaan, wat ze nog niet eerder had gedaan. Ze kwam uit een stad in Alemannië waar ze misschien had moeten vluchten vanwege haar hekserij. Want velen die onze streken ontvluchten, gaan daarheen alsof ze daar veilig zijn. Zelden zul je daar een stad vinden waar geen uitgestotenen uit andere gebieden zijn; en wanneer ze in de ene stad worden ontmaskerd en verdreven, zoeken ze een andere stad.

❡ Naast de hierboven genoemde, heeft dit rijk nog vele andere, vrij belangrijke steden. De hoofdstad van het rijk en de residentie van de koning en de bisschop, Praag, dat we ook 'Drempel' kunnen noemen, bezit behalve vier Mendikantenkloosters38 die dertig jaar geleden met de grond gelijk gemaakt zijn, nog allerlei andere gebouwen van verschillende ordes. Daarnaast zijn de volgende steden het vermelden waard: Časlau, Duits Brod, Kauřim, Kuttenberg, Pilzen, Rakonitz, Luditz, Berg Tabor, het bolwerk van vele ketters, Saaz, Leitmeritz, Budweis, Dachsen, Kaaden, Brüx, Kraupen, Kralowitz, Teplitz, waar een beroemde abdij en warme bronnen zijn, Schlan en Laun. De laatste twee steden heeft de meeste eerwaarde bisschop van Mainz39 uit de dwalingen van de ketterij tot de gemeenschap van de kerk teruggevoerd, zoals hij mij zelf lange tijd geleden in de Rheingau heeft verteld, toen hij daarheen gekomen was voor de inwijding van de nieuwe abt. Hij vroeg me of ze nog steeds zo sterk geloofden, nadat hij hen, zoals hij ongetwijfeld verwachtte, door zijn prediking had bevrijd van de ketterse goddeloosheid.

Twintigste hoofdstuk

Hoe Johan de kans kreeg om te ontsnappen

Maar toen Pasen naderde, vroeg ik mijn meester om mijn kleren die hij, zoals hierboven vermeld, van me had afgenomen. Ik wilde ze dragen op de feestdagen en voor de gasten die konden komen. Men was ook inderdaad bereid om ze mij te geven. Ik trok ze nu elke dag aan, dacht stiekem aan vluchten, en keek zorgvuldig uit naar een gunstige gelegenheid om er tussenuit te knijpen. Meerdere malen stond ik op het punt om te ontsnappen; maar als het erop aankwam, was ik zo overweldigd door angst dat ik niet in staat was zelfs maar één stap te zetten.

❡ Op een dag moest ik als bediende de oude heer vergezellen naar de volgende stad. Ik had alleen maar een hemd en een jas, omdat ik had getwijfeld aan de mogelijkheid om te vluchten en nergens aan dacht toen ik wegging. Terwijl de heer met anderen aan de wijn zat, werd ik aan mijzelf overgelaten; ik ging de herberg uit naar de markt om voor een halve gulden zijde te kopen, waarvan onze vrouw een foudraal wilde maken voor de Bijbel, die ze onlangs had gekocht en die in haar eigen taal was gedrukt.[^79] Toen ik de zijde had gekocht, wandelde ik met een Duitse pelgrim, van wie ik graag nieuws wilde horen uit Duitsland, in gedachten verzonken de poort uit.

❡ Toen ons gesprek afgelopen was en ik besefte ik wat ik aan het doen was, brak ik in weeklagen uit en was bang terug te gaan. Misschien had iemand me zien weglopen, misschien was mijn meester al naar mij op zoek, en dan was ik verloren: ik zou vanwege mijn ontsnappingspoging thuis zwaar bewaakt en gestraft worden. Radeloos, wanhopig en angstig vroeg ik de bedelaar om raad: zou hij in godsnaam willen zeggen wat hem het beste leek? De man had uit ons gesprek begrepen hoe jammer ik het vond dat ik niet in staat was om te studeren, en dat als ik maar genoeg had geleerd, ik graag monnik zou worden. Hij moedigde me daarom aan om van de gelegenheid gebruik te maken om te ontsnappen. "Mijn zoon," zei hij, "omdat je nu al weg bent en, wanneer je teruggaat naar de stad, moet vrezen dat de mensen je voorlopig zullen blijven wantrouwen, daarom raad ik je: vrees niet, stel vertrouwen in God, maak gebruik van de mogelijkheid om te vluchten en vervolg je weg zo snel mogelijk. Ik hoop dat je gelukkig zult ontsnappen. Ik loop langzaam achter je aan. En als je achtervolgers me vragen of ik een bepaald iemand heb gezien, dan zal ik ze vertellen dat ze zich ten onrechte zo haasten, en ik zal ze ervan proberen te overtuigen dat de achtervolging in deze richting geen zin heeft en dat ze een andere richting uit moeten gaan."

❡ Deze aanmoediging gaf me nieuwe moed. Ik nam afscheid van de man en bedankte hem hartelijk voor zijn bemoedigende woorden. Nu sprong ik op en nam, zoals ze zeggen, de benen om voor de vesper nog een afstand van drie mijl af te leggen. Terwijl ik rende, keek ik vaak om omdat ik vreesde dat er een achtervolger achter me aan zat. Maar noch de pelgrim noch iemand anders heeft mij gevolgd.

❡ Terwijl ik haastig doorliep, ontmoette ik enkele wandelaars, die, nadat ze de reden van mijn haast hadden vernomen, me uitnodigden met hen mee te gaan naar hun stad. Ik ging daar meteen op in omdat ik zag dat ze van harte medelijden met me hadden en ze beloofden me om voor onderdak voor me te zorgen voor de nacht. 's Avonds werd ik heel gastvrij door hen behandeld en de huisbaas waste mijn voeten op een vriendelijke manier en zorgde goed voor eten en drinken, hoewel hij een ketter was.

❡ De stad heette Saaz en deze burger was een rijke leerlooier, die diezelfde dag op de markt veel huiden had gekocht en mij daar met mijn meester had zien lopen. Via deze leerlooier heb ik ook de zijde naar mijn meesteres teruggestuurd en later van hem vernomen hoe jammer ze het vond dat ik was gevlucht, vooral omdat ik mijn eerlijkheid had bewezen door het terugsturen van de zijde.

Eenentwintigste hoofdstuk

Hoe Johan werd thuisgebracht door een handelaar uit Neurenberg

De volgende ochtend gaf de huisbaas me op mijn verzoek een baan bij een wever, bij wie ik iets over mijn vaders werk wilde leren, zodat ik mezelf vrijer en zelfstandiger thuis kon komen. Toen ik een paar dagen later in de stad enkele edelen zag die me kenden als de vroegere knecht van die heer, was ik bang dat ze me zouden verraden.

❡ Dus ging ik naar een andere stad, drie mijl van Saaz, genaamd Schlan. Omdat ik daar echter geen wever vond die me in de leer wilde nemen, sloot ik me aan bij leerlooiersgezel, die naar een andere stad trok, die Leitmeritz heette. En aangezien we beiden er ook hier niet in slaagden een plek te vinden, probeerden we het in een derde stad, genaamd Kralowitz. Hier vond de leerlooiersgezel een baan bij een meester in zijn vak, en hij bezorgde me ook werk bij een beenhouwer of, zoals gewoonlijk wordt gezegd, bij een slager. Hoewel ik van nature een grote afkeer van dit ambacht had, accepteerde ik noodgedwongen de baan. Omdat het slachten te veel tegen mijn gevoel in ging, had ik niet veel zin om het te leren. Toen ik een reisgenoot vond die ook verder wilde trekken, was ik blij en vroeg hem of ik met hem mee kon reizen. Toen ik op het punt stond met hem weg te gaan, hield de slager me tegen en wilde hij dat ik hem de onkosten betaalde die hij voor mij had gemaakt . Mijn metgezel - een Duitse marskramer, die zijn waren onderweg verkocht - kreeg medelijden met me, ging het veld in en kwam met een lam terug, dat hij daar volgens eigen zeggen had gevonden. Hij gaf dat aan de slager om mij vrij te krijgen, en die liet me onmiddellijk gaan.

❡ Mijn metgezel was een burger van Brüx. Brüx - niet ver van de Duitse grens gelegen - is een middelgrote stad; het wordt bewoond door ketters en katholieken. Toen ik hier was, vond ik een Duitse heer, die me in dienst nam vanwege de Boheemse taal, die hij niet sprak, om mij als tolk te gebruiken als hij naar de Boheemse markten ging. Want hij handelde in suiker, die hij in verschillende variëteiten wist te koken. Ik bleef echter maar drie weken bij hem en toen vond ik mannen die naar Karelsbad reisden, waar ik destijds door een edelman was geroofd en meegenomen naar Bohemen. Ik was blij en vroeg de handelaar om toestemming om te vertrekken en ook om een paar schoenen waarin ik naar huis zou kunnen lopen. Toen ik deze had gekregen, nam ik graag afscheid van Bohemen. Vanwege de ervaringen die ik nu heb verteld en andere ervaringen die ik daar heb opgedaan, betreurde ik het buitengewoon Bohemen ooit te hebben gezien en te hebben leren kennen. Ongetwijfeld door een engel geleid, zoals Israël, liet ik vol vreugde het Egypte van de ketters en het barbaarse volk achter mij.

❡ Na een periode van vijf jaar, precies in hetzelfde seizoen als de eerste keer, kwam ik voor de tweede keer naar het stadje en naar mijn hospita, wier man ondertussen was overleden. Ze ontving me vriendelijk, beval mij aan bij een koopman uit Neurenberg, die met zijn vrouw en familie, na te hebben gekuurd, met zijn koets naar huis wilde terugkeren, en vroeg hem of ik met hen mee zou kunnen reizen. Zo kwam ik gelukkig in Neurenberg en ik bedankte hen dat ze me hadden meegenomen.

❡ Daar in Neurenberg vond ik voerlui uit onze stad en ik keerde met hen terug in mijn geboortestreek op het feest van Johannes de Doper (24 juni), niet als kenner van het Latijn zoals mijn stadgenoten ooit hadden gehoopt, ook niet als doctor, zoals ik het een keer in kinderlijke aanmatiging zelf voorspeld had, zelfs niet als de Duitser zoals ik van hen weggegaan was, maar als Bohemer, als een barbaar en heiden in kleding en gedrag en vanwege mijn lange, blonde haar dat ik volgens Boheems gebruik zorgvuldig had verzorgd en dat mij bijna tot aan mijn middel reikte. Misvormd, zoals ze me later verzekerden, en als een vreemdeling keerde ik na zes jaar afwezigheid eindelijk veilig en gezond dank zij Gods genade naar huis, en allen keken me beschroomd aan, als gevolg van de grote verandering die zeker niet uit de rechterhand van de Allerhoogste kwam.

Tweeëntwintigste hoofdstuk

Toen de koopman door Johan voor het meereizen wilde worden betaald

Maar met deze terugkeer uit de kleine Boheemse badplaats, waar warm, zelfs kokend heet water, als van de hel zelf, constant uit het binnenste van de aarde kwam in een sterke straal, ging het niet zo gemakkelijk en soepel als we hierboven hebben beschreven. In plaats daarvan ging deze terugkeer gepaard met verschillende incidenten, tegenslagen en ongelukken, voor de beschrijving waarvan ik verder zou moeten uitweiden. Ik heb tenslotte veel meer wisselvalligheden meegemaakt waar wandelaars doorgaans op lange reizen aan worden blootgesteld dan je zou geloven als ik het je niet nadrukkelijk had verteld.

❡ Ik wil het hier niet over de tegenspoed hebben waar ik mee kampte tijdens de reis van die Boheemse badplaats naar Neurenberg. Maar ik moet wel zeggen dat het niet zo eenvoudig was om van die handelaar af te komen. Want toen ik na mijn aankomst weg wilde gaan en hem beleefd bedankte, eiste hij dat ik, arme schooier, hem betaalde. Hij maakte me uit voor bedrieger, en hij geloofde de bewering van de marskramer dat ik zeer rijke ouders had. Om me te laten meereizen, had deze hem namelijk verteld dat mijn vader de meest respectabele en rijkste burger van mijn geboortestad was. Op aandringen van de bovengenoemde Boheemse hospita had ook ik dit de koopman laten geloven, opdat ik dan, door de hoop op de gebruikelijke beloning door mijn familieleden, een gemakkelijkere en aangenamere reis naar Neurenberg in het gezelschap van die familie zou hebben.

❡ Om die voorspiegelingen waarmee ze me wilde helpen, geloofwaardiger te maken, was de slimme vrouw er niet voor teruggeschrokken om het volgende verhaal op te dissen. Als ik door de koetsier zou worden gevraagd, waar ik vandaan kwam, wie mijn ouders waren, hoe, waarom en waardoor ik op zo jonge leeftijd in die vreemde plaatsen terrecht was gekomen, dan moest ik het volgende geloofwaardig klinkende verhaal aan die goedgelovige mensen vertellen. Door nood en heimwee gedwongen ging ik daar op in en begon ik met deze of soortgelijke woorden: "Toen de keizer Frederik zijn zoon, de Roomse koning Maximilian, uit gevangenschap bevrijd had40 en met de vorsten uit Neder-Duitsland weer in triomf door mijn geboortestad trok - hij was op de heenweg hier ook langs gekomen - verbleef hij enkele dagen in de stad om uit te rusten. Hij nam zijn intrek bij de burger die mijn vader is (ik noemde een beroemde en zeer rijke burger bij wie alle vorsten en edelen, zelfs de keizer, als die Miltenberg aandeden, hun intrek namen). U kent hem waarschijnlijk wel of u hebt al eens van hem gehoord. "

❡ Ik had dat nog niet gezegd of hij antwoordde: "Als je een kind van die man bent, waarom ben je dan als een arme schooier in ellende en grote armoede hier verzeild geraakt? Wie heeft je hier gebracht? Weet je vader niet dat je er zo slecht aan toe bent en hier als een landloper ronddwaalt en als een verloren schaap? "

❡ Hierop antwoordde ik: "Of mijn vader weet in welke omstandigheden ik leef, en hoe behoeftig ik hier in deze streken rondloop, is mij onbekend. Ik weet maar één ding, namelijk dat het bijna zes jaar geleden is dat ik hem uit het oog verloren heb en hij mij niet heeft gezien. "

❡ Toen zei hij: "Wel, vertel me hoe hij je kwijt is geraakt en vertel me snel hoe het tot zo'n grote schanddaad is gekomen!"

Drieentwintigste hoofdstuk

Wat Johan de koetsier van de koopman nog meer op de mouw heeft gespeld

Terwijl ik met mijn verzonnen verhaal verder ging, geloofde hij mij zonder meer. Ik ging als volgt verder: "Dus de keizer hield een paar dagen hof in het huis van mijn vader, dat, zoals u weet, zeer ruim is en in de vele kamers met hun prachtige inrichting alle hoge heren van de keizerlijke entourage onderdak bood, terwijl de soldaten bij de burgers van de stad waren ingekwartierd. Toen kreeg ik contact met een edele ridder van het hof, aangetrokken door de schoonheid van de paarden, door het plezier in het paardrijden en door de leuke pages. Maar toen bij hun vertrek de ridder zag dat ik verdrietig werd, vroeg hij mij of ik serieus mee wilde reizen en of ik iets voelde voor de ridderstand, zoals ik die nu bij hen had gezien. Ik antwoordde hem, naïef als ik was, en onbekend met de bezwaren van het hofleven en met de ellende van de ridders, dat ik dolgraag met hen wilde reizen, en dat het mijn grootste wens was zo'n leven te leiden. Ik drong er bij hem op aan om me mee te nemen zonder het mijn ouders te vertellen.

❡ Toen hij dat hoorde, gaf hij graag zijn toestemming en drong er bij mij op aan om er niemand iets over te vertellen. Op de dag van vertrek klonken op het afgesproken uur zoals gewoonlijk de hoorns en schalden de trompetten. In alle herbergen maakten het voetvolk en de ruiters zich met veel lawaai op voor de afmars. Terwijl mijn ouders en alle bedienden volledig bezet waren, om afscheid te nemen van de vertrekkende gasten, en niemand op mij lette, zette de ridder me stiekem in de wagen en bracht me voorzichtig, zonder dat iemand ervan wist, naar deze provincies.

❡ Toen ik bij mezelf dacht dat ik stiekem en heimelijk ontvoerd was, wilde ik weer naar huis, maar dat is tot op de dag van vandaag niet gelukt. Uiteindelijk kon ik mezelf bevrijden uit de gevangenschap van mijn ontvoerder, bij wie ik zo lang veel onplezierigs moest verdragen en vluchten. Ik vraag u om me te helpen weer terug te keren naar mijn Duitse vaderland. Ik denk dat u er mijn vader een groot plezier mee doet en hij zal u ongetwijfeld belonen met een goede fooi zoals u verdient."

Vierentwintigste hoofdstuk

Hoe Johan erin slaagde de koetsier kwijt te raken

Door dit verhaal werd de man tot vroom medelijden bewogen; hij beval me aan bij de koopman als een kind van een voorname heer en nam me mee naar Neurenberg. Voordat ik kon gaan, moest ik nog dank zeggen. De koetsier nam mijn dank in ontvangst en beloofde dat hij het loon nog van mijn familie zou komen afhalen. Hij wilde me naar zijn herberg brengen. Maar toen ik besefte dat hij van plan was met mij naar huis te gaan, vroeg ik me angstig af hoe ik op een fatsoenlijke manier van hem af kon komen, zonder dat het bedrog aan het licht zou komen.

❡ Toen we zo door de straten liepen, kwam ons een koopman tegemoet, die al van verre met luide stem riep: "Ach beste Schwab," want zo heette de koetsier namelijk, "wat heb ik toch lang gewacht op je komst; breng me morgen met mijn vrouw naar de badplaats waar je net vandaan bent gekomen."

❡ Daarop zei Schwab: "Dat zal ik met plezier doen, maar ik moet eerst deze jonge man die ik uit die plaats op verzoek van een vrouw daar, naar zijn vader terugbrengen; hij werd namelijk stiekem geroofd. Hij zat diep in de put. Hij is een namelijk een kind van een vooraanstaande Miltenberger en ik hoop van de vader een royale beloning te krijgen als ik hem zijn zoon terug breng."

❡ Toen zei de koopman: "Niets daarvan! Jij gaat met mij mee. Dit ventje kan bij zijn vader worden afgeleverd door de voerlieden van zijn geboortestad, van wie ik er gisteren enkele zag. Na onze terugkeer kun je dan, als we dan nog in leven zijn, hem opzoeken en je beloning incasseren. '

❡ Nadat hij dit gelukkige advies had gehoord, wendde Schwab zich tot mij en zei: "Zul je mij herkennen als ik naar jou en je vader toe kom? Wil je ook aan je ouwelui vertellen wat ik allemaal voor goeds heb gedaan en dat ik daar een beloning voor verdien?"

❡ Toen ik hem daarop verzekerde dat ik dit nooit zou vergeten, en dit nooit te zullen ontkennen, gunde Schwab de koopman zijn dienst en ging met me mee naar de herberg van de Miltenberger voerlieden.

❡ Toen we bij de herberg kwamen, zag ik een voerman die ik kende. Ik ging naar hem toe alsof hij mij onbekend was en fluisterde in zijn oor snel de volgende woorden: "Beste vriend, ik ben de zoon van die wever, maar mijn metgezel gelooft dat ik de zoon van die en die ben. Ik moest hem dat laten geloven, opdat hij me uit Bohemen zou meenemen. Dus wees alstublieft zo goed, dat als hij u iets vraagt, u hem in overeenstemming hiermee antwoordt! "

❡ Hij begreep meteen waar het om ging en zei: "In orde! Ik snap het. Laat mij mijn gang maar gaan. Ik zal hem wel het juiste verhaal vertellen. '

❡ Maar Philip, ik zal je niet vermoeien met kleinigheden. Alles ging voortreffelijk. Hij liep op de koetsier af en vroeg hem waar ter wereld die me had opgevist.

❡ Toen antwoordde deze met een verbaasde blik: "Kent u de man en zijn ouders? Wat denkt u dat ze me als dank zullen geven als hij thuiskomt?"

❡ "Zeker ken ik de jongeman en ik weet dat zijn vader bekend is bij alle vreemdelingen. Daarom moet u niet twijfelen: als u ooit naar zijn ouwelui komt, zal een flinke fooi als dank niet uitblijven."

❡ Daarop zei Schwab: "Ik had hem zelf graag naar huis willen brengen, als dat akkefietje er niet tussen was gekomen. Maar ik hoop dat als ik terug ben en nog leef, ik hem heel snel zal opzoeken. Dus alstublieft, neem hem nu onder uw hoede en breng hem terug naar zijn vader. Maar vergeet niet mij bij hem aan te bevelen en hem te vertellen dat zijn zoon door mijn hulp is teruggekeerd. En ik denk dat als ik daar langskom, hij me een beste fooi geeft, zoals gebruikelijk. '

❡ De voerman zei toen: "Ik zal graag je wens vervullen; daar hoef je niet de minste twijfel over te hebben. '

❡ We namen afscheid van elkaar en vervolgden onze weg.

❡ Nadat we de herberg waren binnengegaan, sloeg mijn vreugde en geluk om in treurnis en bedroefdheid door een van de andere voerlieden. Want toen namelijk de eerste voerman vertelde dat ik de zoon was van de wever, flapte de domme man er gelijk uit dat mijn vader al geruime tijd geleden gestorven was en dat ik een stiefvader had. De bitterste tranen liepen over mijn wangen en ik barstte uit in onophoudelijk snikken en luid wenen. De waard en nog iemand vielen hem hard aan en noemden hem een ​​leugenaar, om me te troosten, en zwoeren dat mijn vader nog leefde. Ze beloofden me vriendelijk dat ik hem na een paar dagen weer zou zien. Zo enigszins gerustgesteld door hun bezweringen, keerde ik met hen terug naar mijn geboortestad, maar niet terug naar mijn vader.


  1. Purkart van Sichlau. 

  2. Luditz in het district Eger, in de tijd van Butzbach in het bezit van het geslacht Vřesovice. 

  3. Het gaat hier om de 12 km zuidwestelijk van Dekov gelegen plaats Soseň. 

  4. Het klooster Aula regia lag op de plaats waar de Beroun in de Moldau stroomde, het werd in 1298 door koning Wenceslav II (1278-1305) gesticht en in 1420 door de Taborieten verwoest.  

  5. Dormitorium, slaapzaal van de monniken. 

  6. Het klooster Aula regia lag op de plaats waar de Beroun in de Moldau stroomt, het werd in 1298 door koning Wenzel II (1278-1305) gesticht en op 10 augustus 1420 door de Taborieten verwoest. Volgens Aenea Silvio bevond zich op de muren van de kruisgang een vijf voeten hoge illustratie van de hele Bijbel. 

  7. Rozenkransen kwamen reeds voor Butzbach in Bohemen voor. 

  8. Konvers, lekenbroeder van een klooster. 

  9. Kutná Hora (Kuttenberg), koninklijke mijnbouwstad, ooit van grote economische betkenis; in 1300 werden hier de eerste boheemse zilveren munten geslagen. 

  10. Herzynische Woud, volgens Caesar dee aanduiding voor het gebergte dat Bohemen omringt. 

  11. De Adamieten vormden de radikaalste groep van de Hussieten, in 1421 door Jan Žižka verslagen. 

  12. De Taborieten vormden een radikale vleugel van de Hussieten met als centrum de stad Tábor. Ze leden in 1434 een nederlaag bij Lipany en werden vervolgens in 1437 volledig verslagen. 

  13. De Wezen of Orfanieten, een gematigde groep, die zich van de Taborieten afsplitste. 

  14. Jan Žižka (omstreeks 1370-1424), belangrijkste legeraanvoerder van de hussieten, die in 1420 en 1422 het grotere leger van keizer Sigismund versloeg. 

  15. Prokop de Grote (omstreeks 1380-1434), aanvoerder onder Jan Žižka, en na diens dood in 1425 tot leider van de taborieten gekozen. Hij ondernam van 1426 tot 1432 succesvolle legertochten naar Oostenrijk, Saksen, Moravië, Silezië, Hongarije, de Lausitz en in de Mark Brandenburg. Hij kwam om in de Slag bij Lipany op 30 mei 1434, waarbij de taborieten het onderspit dolven tegen de gematigde Calixtijnen. 

  16. Jan Hus (omstreeks 1371-1415), Tsjechische hervormer. Hij streed voor een ingrijpende hervorming van kerk en maatschappij. Hij was in 1409 rector van de universiteit van Praag. In 1412 sprak de aartsbisschop van Praag over hem de banvloek uit. Op 6 juli 1415 werd hij op het Concilie van Konstanz in het openbaar verbrand. 

  17. Hieronymus van Praag (omstreeks1360-1416), strijdmakker van Jan Hus. Hij bracht van zijn studie in Oxford de eerste theologische geschriften van Wiclif mee naar Praag. Toen Hus in Konstanz werd gearresteerd, snelde Hieronymus hem te hulp, maar werd ook gearresteerd en op 30 mei 1416 als ketter auf dem brandstapel verbrand. 

  18. Jakobellus van Mies († 1429). Aanhänger van Jan Hus; op zijn initiatief gingen de hussieten in 1414 over op het avondmaal onder twee gedaanten, dat wil zeggen zij overhandigden de gelovigen brood en wijn. De kelk werd tot symbool van de hussieten. Bovendien voerde Jakobellus in, dat de mis in de Tsjechische taal werd gelezen. 

  19. Konrad van Waldhausen († 1369), geboren in Oostenrijk, radikale prediker van de hervorming, die zich tegen het verval van de zeden van de clerus en de ontsporingen in het gedrag van de elite in Bohemen keerde en daardoor grote sympathie bij het volk wekte. 

  20. Jan Rokycana (omstreeks 1390-1471). Aanhanger van Jan Hus, voornaamste organisator van de hussitische kerk, sinds 1435 Aartsbisschop van Praag. Hij ondertekende in 1433 de kompaktaten van Bazel, waarin de Paus de hussitische kerk op gematigde basis erkende. In 1462 werden deze echter door Paus Pius II weer teniet gedaan. 

  21. Peter Payne (omstreeks 1380 - omstreeks 1455), in Engeland geboren, theoloog, diplomaat, aanhanger van de engelse hervormer Wiclif, sloot zich in Bohemen aan bij de taborieten, verdedigde de leer van de hussieten in 1433 op het Concilie van Bazel. 

  22. Wenzel IV (Václav IV) (1361-1419), koning van Bohemen van 1378 tot 1419, duitse koning van 1378 tot 1400, werd door de keurvorsten van het Duitse Rijk op 20 augustus 1400 als duitse koning afgezet. 

  23. Sigismund (1361-1437), duitse koning van 1411 tot1437; op 28 juli 1420 in Praag tot koning van Bohemen gekroond, maar pas in 1436 in het vredesverdrag van Iglau (Jihlava) erkend; vanaf 1433 keizer. 

  24. Albrecht II (1397-1439), als Albrecht V hertog van Oostenrijk vanaf 1404, duitse koning van 1438 tot 1439. 

  25. Ladislays V Posthumus (1440-1457), koning van Bohemen en Hongarije. 

  26. Bartholomeus Anglicus (13e eeuw), engelse franciscaan. Van zijn encyclopedie „De proprietatibus rerum" werden in de 15e eeuw 24 edities gedrukt. 

  27. Jacobus Philippus de Bergamo (1434-1520), augustijner heremiet, historicus. Van zijn „Supplementum chronicarum" werden in de 15e eeuw zeven edities gedrukt. 

  28. John Wiclif (omstreeks 1320-1384), engelse hervormer, filosoof en bijbelvertaler. Hij eiste het herstel van de reine christelijke keer, de vorming van een van Rome onafhankelijke, democratisch georganiseerde nationale kerk en de terugkeer naar een streng oerkerkelijk armoedeideaal. Zijn leer van de „oerchristelijke gemeenschap" werd de ideologie in de boerenopstand van Wat Tyler van 1381. Een kerkelijke vergadering van notabelen in Londen vervloekte in 1382 zijn leer. Het Concilie van Konstanz verklaarde Wiclif op 4 mei 1415 tot ketter. 

  29. Peter van Dresden († 1423), rector van de Kruisschool van Dresden, aanhanger van Wiclif, tegenstander van de leer van het vagevuur, werd in 1411 wegens verspreiding van de ketterse leer uit de diocees Meißen uitgewezen. Voerde in 1414 samen met Jacobellus van Mies in Praag het avondmaal onder twee gedaanten in. In 1423 in Regensburg op de brandstapel verbrand. 

  30. Johan van Seelau (Jan Zelivský, † 1422), kwam in 1416 uit het Premonstratenzerklooster Seelau (Zeliv) naar Praag, werd hussietenprediker, nam deel aan de krijgstochten van Žižka. 

  31. Gian Francesco Poggio Bracciolini (1380-1459), Italiaanse humanist en schrijver, vanaf 1453 kanselier van Florence; hij ontdekte handschriften uit de oudheid en schreef traktaten over de moraal, kluchten en de geschiedenis van Florence. 

  32. Johannes Rucherat, pastoor te Oberwesel bij St. Goar († 1481), schreef bijbelcommentaren en traktaten, waarin hij opvattingen van Wiclif en Hus overnam. Op 21 februari 1479 herriep hij die in het openbaar in Mainz voor aartsbisschop Diether van Isenburg. Hij studeerde en doceerde van ongeveer 1440 tot 1460 aan de universiteit van Erfurt. Via zijn werken heeft hij ook invloed op Luther uitgeoefend, die bekende: „Johann Wessalia heeft in Erfurt met zijn boeken een stempel op de hogeschool gedrukt, waar ook ik magister ben geworden." 

  33. Aken was in de late middeleeuwen de belangrijkste duitse bedevaartplaats, die ook door Tsjechen in groten getale werd bezocht. In 1362 had keizer Karel IV in Aken een aan de Tsjechische nationale heiligen Wenzeslaus gewijd altaar gesticht, dat tot 1734 heeft bestaan. 

  34. Het werk van Aenea Silvio Piccolomini „Dialogos contra Bohemos atque Thaboritas de sacra communione corporis Christi" verscheen omstreeks 1470 in druk bij Ulrich Zell in Keulen. 

  35. Deze opmerking heeft betrekking op de sekte van de adamieten, die in de tijd van Butzbach niet meer bestonden. 

  36. Decimus Junius Juvenalis (omstreeks 60 tot na 127), romeinse satiredichter: Sat. 14, 139. 

  37. Chlum in het district Časlau. Slavata van Chlum en Koschumberg had in de jaren 1467-1498 uitgestrekte bezittingen in de streek van Časlau en Kaurim; hij was getrouwd met Dorothea van Nenosic. 

  38. Mendikanten, een in de 13e eeuw ontstane bedelmonniksorde van de Dominikanen, Franciscanen, Augustijnen, Karmelieten, Servieten en anderen. De pausen verleenden hen belangrijke privileges: ze vielen niet onder wereldlijke en bisschoppelijke rechtsmacht, en mochten overal prediken, de biecht afnemen, de mis lezen en aflaten verlenen, waardoor ze vaak in conflict met wereldgeestelijkheid raakten. 

  39. Erhard van Rednitz uit de Cisterciënserorde, bisschop van Mainz van 1493 tot aan zijn dood op 30 september 1502.  

  40. Koning Maximiliaan I (1459-1519) bevond zich van 5 februari tot 16 mei 1488 in de gevangenschap van de burgers van Brugge, die tien van zijn raadsheren folterden en lieten onthoofden. In een 15-jarige oorlog probeerden de Nederlanders zonder succes, zich van de habsburgse heerschappij te ontdoen.